Wat de moeite waard is, moet blijven: dat ligt voor de hand. Maar dat klinkt simpeler dan het is. Wat is waardevol en - als niet alles behouden kan blijven – wat is het waardevolst? Over deze en vele andere vragen gaan we het dit jaar hebben in deze rubriek.
In de loop der eeuwen lieten verbouwingen hun sporen na in de monumentale panden van Amsterdam. Het resultaat is vaak een ratjetoe aan bouwstijlen. Vroeger stelde Monumentenzorg voor om het uiterlijk van deze gebouwen zoveel mogelijk terug te brengen in de oorspronkelijke staat. Tegenwoordig is er meer respect voor de bouwgeschiedenis. Het gevolg is dat er bij een restauratie veel moeilijke keuzes moeten worden gemaakt.
Han van der Zanden is een van de drie monumentenadviseurs van bureau Monumenten en Archeologie (bMA), voorheen het gemeentelijk Bureau Monumentenzorg. Vanuit zijn technische expertise beschrijft hij zo objectief mogelijk wat een eigenaar met een monument van plan is en geeft aan wat hij daarvan vindt. Het oordeel van de monumentenadviseurs weegt zwaar bij de Commissie voor Welstand en Monumenten, dat de ingreep al dan niet goedkeurt. Van der Zanden: “De héle geschiedenis van bouw en verandering van een pand is interessant. Dat besef is bij ons steeds sterker geworden. Daardoor vraag ik me bij alles af of het kan worden behouden.”
Walther Schoonenberg, voorzitter van de Vereniging Vrienden van de Amsterdamse Binnenstad vindt dat je daarin niet moet doorschieten: “Als bij een restauratie blijkt dat al veel authentieke substantie is vervangen door minder waardevolle elementen, dan komt volgens mij een goede restauratie al gauw neer op reconstructie. Daar is niets mis mee.” Dat gebeurde bijvoorbeeld bij Herenmarkt 26, hoek Brouwersgracht, waar een 17de-eeuwse gevel op basis van bouwresten is gereconstrueerd.
Van der Zanden: “Behoud gaat voor vernieuwen, ook als met een vernieuwing een reconstructie van het oude wordt beoogd. Daarvoor iets authentieks wegslopen is onverstandig.” Ook restauratie-architect Maarten Fritz wil in principe zoveel mogelijk authentiek materiaal bewaren. Maar wat is eigenlijk authentiek? Fritz: “Willem Wilmink vergelijkt in een gedicht de bouw van een kathedraal met het menselijk lichaam. Iedere steen, iedere cel wordt in de loop der jaren vervangen, en toch blijf je jezelf.”
De Bazel-trap weg uit middeleeuwse kapel?
Een centrale vraag is: wanneer is een onderdeel van een gebouw zó monumentaal, dat het moet worden behouden? In de 15de-eeuwse Agnietenkapel, nu universiteitsmuseum van de Universiteit van Amsterdam, bouwde architect A.A. Kok in 1921 een imposante houten trap. Het door de UvA ingehuurde architectenbureau wil nu (door het wegslopen van een deel van de vloer van de eerste verdieping) de hoogte van de oorspronkelijke kloosterkapel van het Agnesklooster reconstrueren. Daardoor wordt het gebouw aantrekkelijker voor ontvangsten. De trap van Kok is dan overbodig en kan weg. Maar volgens Van der Zanden is die ingreep niet noodzakelijk. “Restauratiearchitecten willen vaak hun stempel drukken op een gebouw. Ook mét deze trap kan de Agnietenkapel de nieuwe functie vervullen.” Fritz hecht meer waarde aan het ‘karakter’ van een gebouw. “Om daar eenheid in te brengen, mag er best een trap wijken.”
Met een beroep op het karakter van een pand worden soms ingrijpende verbouwingen gerechtvaardigd. Het Rembrandthuis in de Jodenbreestraat is begin 20ste eeuw voorzien van een interieur van K.P.C. de Bazel. Om weer de sfeer op te roepen uit de tijd van Rembrandt is dit er enkele jaren geleden uitgesloopt. Gevaarlijk, vindt Van der Zanden: “Als je zulke reconstructies maakt, sla je soms de plank volledig mis. Zo werd in dit geval gebruik gemaakt van Bremergroen, een groen dat pas na Rembrandts tijd werd uitgevonden.” Schoonenberg nuanceert: “Dat interieur van De Bazel was niet bepaald zijn belangrijkste werk. Ook vanwege de functie van het pand – het is immers geen De Bazelhuis maar een Rembrandthuis – vind ik de reconstructie gerechtvaardigd.” Bovendien was er genoeg informatie om op verantwoorde wijze te kunnen reconstrueren, aldus Schoonenberg. “Er is een gedegen bouwkundig onderzoek gedaan en er waren veel tekeningen uit Rembrandts tijd beschikbaar.”
Schoonenberg vindt het te ver gaan om binnen een pand alle verschillende bouwsporen ten koste van alles te behouden. “Als je een 18de-eeuwse gevel hebt, met ramen uit de 19de en 20ste eeuw, dan zegt Monumentenzorg dat alle ramen behouden moeten blijven, omdat ze deel uitmaken van de bouwgeschiedenis.” Schoonenberg vindt dat het mogelijk moet zijn om alle ramen weer hun 18de-eeuwse vorm te geven. “Als je dat niet doet, laat je broddelwerk in stand.”
Een extra complicatie bij het beoordelen van de waarde van bouwsporen is dat sommige schijnbaar onbelangrijke elementen veel zeggen over de wijze waarop er in een huis werd geleefd. Architectuurhistoricus Jos Smit, ook van bMA: “In veel 17de- en 18de-eeuwse woningen is de begane grond voorzien van marmer, terwijl op de trap naar boven het marmer overgaat in geverfd marmer. Zoiets toont de hiërarchie van zo’n huis aan.”
Zoiets geldt ook voor de interieurs uit de jaren vijftig van de 20ste eeuw. Van der Zanden: “Plafonds en deuren moesten toen strak, dus werd er over prachtige deuren een vlakke plaat getimmerd. Die platen worden er nu massaal afgesloopt, en de vraag is dus wanneer we gaan zeggen dat zo’n jaren vijftig interieur iets bijzonders is.”
“Principes zijn goed, dogma’s niet”
Wanneer een pand in later eeuwen is verbouwd, is de vraag of het een ‘verminking’ betreft, of een bouwhistorisch interessante verandering. Van het tweelingpand Herengracht 579-581 is bij de rechterhelft de trap naar de ingang in 1904 verwijderd, om een ingang op straatniveau te creëren. De oude gang is intact gebleven, en de huidige eigenaar wil de trap weer terugplaatsen. Het tweelingpand wordt dan weer spiegelbeeldig. Schoonenberg: “Dat Monumentenzorg daar tegen was, begrijp ik niet. Principes zijn goed, dogma’s niet.”
Op Warmoesstraat 104 zat onder een 18de-eeuwse gevel een detonerende 19de-eeuwse winkelpui. De onderpui moest weggesloopt omdat dienst Bouw- en Woningtoezicht ter versteviging een ijzeren frame eiste. Schoonenberg: “Monumentenzorg wilde dat de 19de-eeuwse pui zou worden gereconstrueerd. Waarom? Gelukkig heeft de eigenaar eenheid in de gevel gebracht door een historiserende 18de-eeuwse pui te laten maken. Monumentenzorg vindt dat een onacceptabele reconstructie, terwijl de eigenaar het begrijpelijk veel mooier vond.”
Als een 18de-eeuwse geveltop in de 19de eeuw is opgemetseld met bakstenen, dan vindt Schoonenberg het onzin om die bakstenen te vernieuwen. “Het is toch veel mooier om de oorspronkelijke geveltop te reconstrueren?” Door sloop, bijvoorbeeld voor de metro-bouw, is er vaak zelfs een originele 18de-eeuwse geveltop beschikbaar. Het plan om op een classicistische gevel met detonerende tuit op Leidsegracht 12 een classicistische geveltop aan te brengen, werd door monumentenzorg afgekeurd. Schoonenberg: “Nu is die geveltop alsnog gebruikt op de Lange Niezel 24. Maar daar ziet niemand hoe mooi hij is!”
Restauratie-architect Fritz geeft aan dat de ‘waardestelling’ – de beoordeling van een pand door een monumentenadviseur – vaak tot misverstanden leidt. “Als er melding wordt gemaakt van een mooie schouw, dan besluit de architect daar van af te blijven, en gaat hij de rest veranderen.” Maar zo’n schouw speelt een rol in de kamer waarin hij staat, vindt Fritz. “Je moet een totaalidee van het hele huis hebben, en als daaruit voortvloeit dat de schouw weg moet, dan moet dat kunnen.”
De keuze is dus eigenlijk die tussen de abstractie van het ontwerp en de materiële substantie. Schoonenberg kiest voor het eerste. “Er is de afgelopen eeuwen zoveel geprutst en aangeklooid. Dat is in strijd met het abstracte idee van het gebouw. Bouwkunst is geen schilderkunst, waarbij de bedenker ook de uitvoering heeft gedaan. Het materiaal is daarom minder belangrijk. Toch zien veel monumentenzorgers een woonhuis als een schilderij, waar je niet aan mag zitten.” Van der Zanden: “Mensen denken meer in beeld dan in behoud van object. Daar moeten wij tegengas tegen geven.”
Tekst: Ward Wijndelts
Februari 2003







