Is Amsterdam een creatieve, innovatieve stad met handelsgeest, zoals het stadsbestuur nu via de leuze I AMsterdam wil doen geloven? In de hoofden van stadsbewoners kunnen we niet kijken, maar dankzij O+S kunnen we wel een eeuw lang volgen welke beroepen en bedrijven in de hoofdstad gangbaar waren. Aan de hand van drie vragen een typering van werkend Amsterdam, toen en nu.
Wat heeft Amsterdam met geld en handel?
Veel, heel veel. Al eeuwenlang is Amsterdam het centrum van de geldhandel en het bankwezen. De Nederlandsche Bank is sinds 1814 in Amsterdam gevestigd, diverse andere banken hebben er hun hoofdkantoor – de spiegelpaleizen aan de Zuidas getuigen ervan – en de Amsterdamse beurs is een van de belangrijkste van West-Europa. In deze stad is er niemand die geen handel drijft, schreef de beroemde Franse filosoof René Descartes rond 1635. En de mentaliteit was er volgens hem naar: “Ieder is zo van zijn voordeel vervuld, dat ik er mijn ganse leven zou kunnen wonen zonder ooit door iemand opgemerkt te worden.” Amsterdam kende in die tijd een unieke succesformule: geld en vrijheid. Die combinatie verdrong het middeleeuwse duo eer en heroïsme. De belangrijkste vrijheid die Amsterdam vanaf dat moment aanhing was de mogelijkheid ‘jezelf te blijven’. Nog steeds een in het oog springend kenmerk van de stad.
Met de zucht naar geld liep het ondertussen minder goed af. Dat bijna alles in Amsterdam draaide om handel en geld binnenhalen, leidde aanvankelijk tot een gretig en creatief klimaat. Maar sinds de Gouden Eeuw zwom Amsterdam werkelijk in het geld en raakte daardoor prompt in de versukkeling. Onder degenen die belasting betaalden in 1742 (destijds werden alleen de welgestelden aangeslagen), was rentenier het meest voorkomende beroep: dat wil zeggen iemand die niets uitvoert en leeft van de rente van zijn kapitaal. Na een lange periode van economische malaise was het in de 19de eeuw de industrie die de stad weer tot leven wekte. Anno 2004 is de cirkel weer rond, want het zijn opnieuw de snelle geldverdieners – van bankiers tot ICT’ers – die het economisch klimaat in de hoofdstad domineren.
Wat heeft Amsterdam met industrie?
Meer dan je vandaag de dag zou denken. Ooit was Amsterdam de belangrijkste industriestad van Nederland. Veertig jaar geleden was dat nog steeds zo. Terwijl in 1899 zo’n 45% van de Amsterdammers in de industrie werkte, was dat in 1960 nog altijd 37%. Maar daarna ging het snel. In 1982 was het percentage geslonken tot negentien en in 2002 tot een luttele acht procent. Bijna alle Amsterdammers werken nu in de dienstverlening. Zestig procent heeft een baan in de commerciële dienstverlening (banken, handel, horeca, informatica), ruim dertig procent in de non-commerciële dienstverlening (overheid en semi-overheid). Een totale metamorfose heeft zich in slechts enkele decennia voltrokken.
Niet alleen werken steeds minder Amsterdammers in de industrie, ook zijn de industriële bedrijven massaal weggetrokken uit de binnenstad. Want dáár zaten vroeger al die fabrieken en werkplaatsen, vaak op loop- en fietsafstand van hun werknemers. Aan de Weespertrekvaart zat de cacaofabriek van Blooker en aan de Schinkel die van Tjoklat, aan de Looiersgracht bevond zich de dropfabriek van Klene, tot in de verre omtrek te ruiken (dat zou nu niet meer mogen), aan de oevers van het IJ zaten de grote scheepswerven, je had Fokker, Ford en Ketjen, er was de Heinekenbrouwerij aan de Weteringschans, toen nog geen museum – en overal in de oude Amsterdamse buurten zaten kleinere bedrijven en werkplaatsen, ingeklemd tussen de huizen.
Vanaf 1960 echter kelderde in ruim twintig jaar tijd het aantal arbeidsplaatsen in de Amsterdamse binnenstad van 160.000 naar 80.000. Toch is de binnenstad geen openluchtmuseum geworden, zoals in Praag of Venetië. Er wordt nog volop gewoond en gewerkt, alleen heeft die bedrijvigheid een ander, ‘yuppiger’ karakter dan vroeger. Het stadsbestuur heeft voor de binnenstad een kritisch minimum vastgesteld van 80.000 banen, al zit men daar op dit moment 5.000 onder. Verrassend genoeg kent de Amsterdamse binnenstad daarmee nog altijd de grootste concentratie banen van Nederland.
Hele bedrijfstakken zijn met de ommezwaai van industrie naar dienstverlening nagenoeg verdwenen uit Amsterdam, bijvoorbeeld de diamant, de tabak, de confectie en de scheepsbouw. Bovendien zijn de beroepen sterk veranderd, ook wanneer de bedrijfstak in kwestie er nog wel is. Oud-stadsarcheoloog Jan Baart heeft ooit een lijst gemaakt van beroepen in middeleeuws Amsterdam. Hij kwam op vijftig verschillende beroepen, variërend van goudsmid, kruisboogmaker en bierbrouwer tot kuiper, hoer en kluizenares. Ambachtelijke beroepen gaven toen de toon aan. Eind 19de eeuw was de top-vijf van meest voorkomende beroepen in Amsterdam: diamantbewerkers, sjouwerlieden, timmerlieden, losse werklieden en smeden. Ongeschoolde arbeid kwam toen nog veel voor. Als je de groepen sjouwerlieden en losse werklieden (grotendeels werkzaam in de haven) bij elkaar optelde, stonden die ruim bovenaan.
Tegenwoordig voeren de ‘kenniswerkers’ in Amsterdam de boventoon. Van alle werknemers heeft maar liefst 38% een hbo- of wetenschappelijke opleiding (in heel Nederland is dat 29%). Ruim de helft heeft minimaal havo-niveau. Mensen met alleen lagere school maken nog maar dertien procent uit van de beroepsbevolking. Zonder goede opleiding is het tegenwoordig moeilijk scoren op de Amsterdamse arbeidsmarkt.
Wat heeft Amsterdam met innovatie?
Dat wisselt, de stad kan erg wakker zijn én vreselijk ingedut. Was Amsterdam in de 18de eeuw tot apathie vervallen door te veel geld, aan het eind van de vorige eeuw ging het ook slecht met de hoofdstedelijke economie. Door het wegtrekken van de industrie was in de jaren tachtig sprake van een hoge en hardnekkige werkloosheid. De industriearbeiders, onder wie veel buitenlandse werknemers, vonden geen aansluiting bij de ontwikkeling naar een kenniseconomie en belandden massaal in een uitkering.
Maar de Amsterdamse economie herstelde zich door nieuwe richtingen in te slaan. In de jaren negentig was sprake van een sterke groei van de werkgelegenheid, die uitsteeg boven het landelijk gemiddelde. Amsterdam werd een geliefde vestigingsplek voor de hoofdkantoren van multinationals. Zelfs het zo met Eindhoven verbonden Philips zocht zijn toevlucht in de Rembrandttoren in de hoofdstad. In de aard van de werkgelegenheid veranderde veel. Tegenwoordig is de ICT-sector goed voor één op de tien banen in Amsterdam. Het banenverlies in de industrie gaat nog altijd door: in 2003 verdwenen er weer bijna duizend banen. Kenmerkend voor de Amsterdamse werkgelegenheid is het grote aantal kleine bedrijfjes. Jaarlijks gaan duizenden eenpersoonszaken van start. Vooral daarin schuilt de dynamiek van de hoofdstedelijke economie: een nieuwe elite van jonge kenniswerkers is permanent op zoek naar nieuwe markten en creatieve mogelijkheden. Volgens recente berekeningen van O+S is 55% van de werkende Amsterdammers te omschrijven als een kenniswerker en/of een persoon met een creatief beroep.
Het gemeentebestuur wil nu dit nieuwe ‘merk’ – Amsterdam als creatieve kennisstad – sterker promoten. Sommigen zien dat met lede ogen aan. In Het Parool werd deze beleidsrichting neergesabeld en uitgelegd als een keuze tegen de armen en laagopgeleiden in de stad. En er is nog een ander probleem. O+S rekende uit dat de stad veel meer kleinschalige bedrijfsruimte nodig heeft. Volgens een aantal discussianten wordt Amsterdam te aangeharkt: de stad kent steeds minder broedplaatsen en stedelijke rafelranden, waar kunstenaars en andere creatieven ongestoord kunnen experimenteren.
Wie gaat de komende decennia de toon zetten binnen werkend Amsterdam? De industriearbeiders hebben het pleit verloren, die omslag is zo dramatisch geweest dat hier geen weg meer terug is. De grote vraag is dus of Amsterdam als kennisstad kan overleven én of zo’n profilering genoeg ruimte laat voor werkgelegenheid voor zoveel mogelijk Amsterdammers. Dat is ook het thema van de jubileumconferentie van O+S, die begin november zal worden gehouden.
Tekst: Hansje Galesloot
Oktober 2004






