Architect Jan Boterenbrood Opmerkelijk

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     April 29, 2011    
5036   0   0   0   0   0

De stille architect

052004_ArchitectNiet ouder dan 46 jaar is hij geworden, de autodidactische architect Jan Boterenbrood. Zijn oeuvre is dan ook niet groot. Het belangrijkste werk van hem is zonder twijfel Huize Lydia aan het Roelof Hartplein, gebouwd als opvangcentrum voor alleenstaande katholieke vrouwen.

Jan Boterenbrood (1886-1932) begon zijn korte loopbaan op de in zijn tijd meest gebruikelijke manier: als bouwkundig tekenaar bij de gevestigde architecten. Hij deed dat bij het bureau van H.A.J. Baanders (1884-1966), dat de bakermat was van vele Amsterdamse-Schoolarchitecten. Later ontfermde Eduard Cuypers (1859-1927) zich over hem. Bij de verdiensten van deze neef van de P.J.H. Cuypers (bekend van Centraal Station en Rijksmuseum) hoort zeker dat hij van zijn bureau een ware broedplaats voor nieuw talent wist te maken. Hij gaf zijn tekenaars veel mogelijkheden om hun scheppingsdrift bot te vieren op de door hem slechts schetsmatig neergezette plannen, stuurde hen op studiereizen naar het buitenland en spoorde hen aan om mee te doen aan de vele architectuurprijsvragen in binnen- en buitenland. Bovendien bezat de vooral als stationsarchitect bekende ‘eclecticus’ Cuypers een zeer uitgebreide bouwkundebibliotheek.

Naast de ruime mogelijkheden van de grote architectenbureaus en de inspirerende wijsheid van de mentor, was ook nog veel zelfstudie nodig alvorens de weg naar zelfstandige vestiging als architect open lag. Voor veel van de tekenaars/bouwkundestudenten kwam het leven buiten werktijd neer op lange uren eenzaam blokken op de studieboeken.

Het is iets wat we ons bij Jan Boterenbrood gemakkelijk kunnen voorstellen. Hij moet gedurende zijn korte leven een stille, serieuze man geweest zijn. Bij zijn onverwachte en vroegtijdige overlijden in 1932 typeerde J.P. Mieras, de voorzitter van de Bond van Nederlandse Architecten/Genootschap Architectura et Amicitia en de belangrijkste architectuurscribent van zijn periode, hem als volgt: “Men merkte dat hij als het ware opgekropt zat met energie die nog weinig vrij kwam.” Volgens hem had de jonge architect zich in zijn jonge leven nog nauwelijks kunnen ontplooien.

Ingetogen Amsterdamse School

Boterenbrood mocht dan een gesloten natuur zijn, hij was niet iemand die aan zichzelf twijfelde. Hij vertrouwde op zijn eigen oordeel, waarvan hij wist dat het gebaseerd was op solide kennis en diep nadenken. Wat tegenwoordig inspraak heet, is niet een uitvinding van de jaren zestig van de vorige eeuw, maar bestond eigenlijk ook al in de jaren dertig. Alleen werd het toen ‘sonderen’ genoemd. Voor de Amsterdamse School, die immers al bouwend wilde bijdragen aan de verbetering van de samenleving, was het een mooi aspect van de architectonische praktijk. Maar Boterenbrood deed er niet aan mee. Hij verfoeide “het polsen van andermans oppervlakkige meningen”. Volgens Mieras was dat “een bijzondere eigenschap in de huidige wereld, die als ’t ware werkt met proefballonnetjes” – kennelijk was die laatste term in de jaren dertig van de vorige eeuw ook al in zwang.

Typerend voor zijn zelfvertrouwen is dat Boterenbrood in zijn eentje een ver uitgewerkte stedenbouwkundige visie op Groot-Amsterdam presenteerde. Het was bedoeld als alternatief voor het volgens hem ondeugdelijke Plan-Zuid van H.P. Berlage, dat toen overigens nog in een beginfase verkeerde. Overigens zat Boterenbrood van 1920 tot 1925 ook in de redactie van het vermaarde, opgerichte tijdschrift Wendingen, opgericht door de pas in 1987 op 102-jarige leeftijd overleden H.T. Wijdeveld. Als tegenhanger van het vooral op de technische kant gerichte Bouwkundig Weekblad gold dat als de spreekbuis van de bevlogen bouwmeesters van de Amsterdamse School.

Boterenbrood wordt beschouwd als een van de eersten uit de ‘tweede generatie’ van de Amsterdamse School. Architectuurhistorici onderscheiden vier generaties, waarvan de eerste twee er echt toe doen. De eerste is die van het uitbundige ‘expressionisme’. Die heeft bijvoorbeeld het Scheepvaarthuis van Johan Melchior van der Mey (1878-1949) opgeleverd en de schitterende woningcomplexen in de Spaarndammerbuurt van Michel de Klerk (1884-1923). Dat expressionisme is in het werk van de tweede generatie verdwenen, en vervangen door een ingetogener, maar ook wat zelfstandiger en rijper gebruik van vormen.

In zekere zin was de ‘tweede generatie’ de meest succesvolle. De Amsterdamse School was alom aanvaard, om niet te zeggen dat ze de touwtjes stevig in handen had. Het bestuur van de belangrijke beroepsvereniging Architectura et Amicitia bestond volledig uit aanhangers van de stroming, het tijdschrift Wendingen genoot internationaal aanzien, en de Amsterdamse School vierde ook in andere steden triomfen – met als hoogtepunt De Bijenkorf in Den Haag van Pieter Lodewijk Kramer (1881-1961).

Huize Lydia op het Roelof Hartplein wordt beschouwd als beste voorbeeld van het bouwen door de tweede generatie van de Amsterdamse School. Het lijdt geen twijfel dat dit in het bescheiden oeuvre van Jan Boterenbrood het belangrijkste werk is. Volgens een architectuurcriticus ten tijde van de oplevering (1927) is het pand “een stuk poëzie in een stadsdeel dat daaraan geen overvloed heeft”. De uitbundige ornamenten van de eerste generatie zijn verdwenen, maar de nadruk op vormen en volumes is gebleven. Ook zien we het voor de Amsterdamse School kenmerkende ‘horizontalisme’, bijvoorbeeld in de ramen, die breder zijn dan de hoogte. Tot aan het begin van de 19de eeuw was het praktisch onmogelijk in gebouwen van meer verdiepingen zulke ramen te maken; pas de toepassing van gewapend beton maakte het mogelijk dat architecten ook horizontaal gingen denken.

De afdeling Amsterdam van de R.K. Internationale Vereeniging ter Bescherming van Meisjes was de opdrachtgever voor de bouw. Het diende dan ook voor de opvang van ‘gevallen’ vrouwen. Zusters van de Dominicaner orde zwaaiden er de scepter. Boterenbrood haalde alles uit de kast om een sfeer van warmte en geborgenheid te scheppen. Zo kreeg ieder van de vijf verdiepingen een karakteristieke kleur: ivoorwit, groen, donkerrood, groenblauw en grijs. Het huis telde op de bovenste vier verdiepingen 158 slaapkamers, met een gemeenschappelijke keuken en wasruimte per verdieping. Op de begane grond was onder meer een conversatieruimte en de kelder huisvestte onder andere een grote keuken. Goed afgeschermd van de boze buitenwereld was er een binnenhof waar de vrouwen zich konden vertreden. Op de vierde verdieping was een kapelletje.

Over de bouw werd lang gedaan: van 1922 tot 1927. Een jaar na de oplevering kregen de beschermde vrouwen nieuwe overburen in de gedaante van 174 ongehuwde vrouwen én mannen, voor wie Barend van den Nieuwen Amstel Het Nieuwe Huis neerzette.1 Samen vormden de onderkomens voor al dan niet gevallen ongehuwden een “Poort naar Amsterdam-Zuid”, zoals de Nieuwe Rotterdamsche Courant het in 1932 beeldend verwoordde..

Nog als tekenaar op het bureau van Cuypers had Boterenbrood samen met twee van de ‘grote drie’ van de latere Amsterdamse School (De Klerk en Van der Mey) een studiereis gemaakt naar Scandinavië. Het is in Huize Lydia te zien. Volgens kenners is het duidelijk geïnspireerd op het stadhuis van Stockholm.

‘Maskerade-architectuur’

Zonder meer bekend van Boterenbrood is behalve Huize Lydia het huidige Desmet aan de Plantage Middenlaan – tot voor kort bioscoop, tegenwoordig televisiestudio. Het werd al in 1879 door A.L. van Gendt (1835-1901) gebouwd als Theater Frascati, maar Jan Boterenbrood tekende in 1926 de karakteristieke gevel die het kreeg toen het een tweede leven begon als Rika Hoppertheater – genoemd naar een populaire actrice. De huidige naam kreeg het toen de familie Desmet er kort na de Tweede Wereldoorlog haar bioscoop begon.

De overige van Boterenbrood bekende werken zijn allemaal woningbouwprojecten in Amsterdam. Hij heeft ook nog gewerkt aan een gemeentehuis voor Sliedrecht, maar zijn ontwerp werd nooit uitgevoerd. De baggerhoofdstad van de wereld besloot in zee te gaan met Friedhoff en Plantinga.

Maar de zeer Amsterdamse woningen in de IJselstraat /Rijnstraat in Amsterdam-Zuid, gebouwd tussen 1921 en 1925, zijn van Jan Boterenbrood. Dat wil zeggen: de gevels. Zoals in de begintijd van de woningbouwverenigingen wel vaker gebeurde, had Amstels Bouw Vereeniging de architect alleen opdracht gegeven voor de gevels. De indeling van de woningen werd door de woningbouwvereniging zelf bepaald. Architecten die op zulke opdrachten ingingen, werden wel smalend “binnenhuiskunstenaars van de open lucht” genoemd. Het waren vooral de aanhangers van de Amsterdamse School die zulke opdrachten aanvaardden – gedreven immers als men was om door middel van de bouwkunst de eenvoudige arbeiders te verheffen. Tegenstanders zagen er munitie in om scheppingen van de Amsterdamse School te betitelen als “maskerade-architectuur”.

Van 1924 tot 1927 werkte Boterenbrood samen met Berend Tobia Boeyinga (1886-1969) aan woningen in Tuindorp Nieuwendam, tussen de Ilpendammerstraat en de Watergangseweg. Ook op de hoek Apollolaan/Bachstraat staat een wooncomplex van hem (uit 1929), evenals aan de Aalsmeerseweg tussen Rietwijkerstraat en Hoofddorpplein (1932). Dat laatste complex, vlak bij het nieuwe redactiekantoor van Ons Amsterdam, bleek de laatste klus te zijn van de stille architect.

Tekst: Sjaak Priester

Mei 2004

Powered by JReviews