Ondernemer Daan Goedkoop III Opmerkelijk

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     December 22, 2010    
6560   0   0   0   0   0

De man die de NSM groot maakte

042006_GoedkoopTot in de jaren zeventig was de naam Goedkoop een begrip in de Amsterdamse haven. Leden van de vermaarde familie runden niet alleen belangrijke bedrijven die hun naam droegen, zoals werf ’t Kromhout, sleepbotenrederij Gebroeders Goedkoop en Kromhout Motoren Fabriek, maar ook waren zij de kracht achter de Nederlandsche Scheepsbouw Maatschappij (NSM). Deze werf in Noord, waar reusachtige mammoettankers en marineschepen werden gebouwd, werd in de jaren twintig, dertig en veetig geleid door Daan Goedkoop de Derde (1874-1947).

Het verhaal van de scheepsbouw- en motorentak van de Goedkoop-familie begint bij de aankoop van een failliete werf aan de Hoogte Kadijk: werf ’t Kromhout. Reder Daniël Goedkoop Dzn. (‘Daniëls zoon’), in de wandeling Daan geheten, of meer precies: Daan de Eerste, kortweg Daan I, kocht de werf met de intentie hem na een grote opknapbeurt over te dragen aan zijn 17-jarige zoon Daniël jr (Daan II dus). Deze had op een werf op Oostenburg het vak geleerd en wilde per se scheepsbouwer worden. ’t Kromhout, waar met name ijzeren zeilschepen en binnenvaartschepen werden gebouwd en gerepareerd, bleek een goede investering. Het was weliswaar een kleine werf, maar tamelijk modern voor die tijd.
Daan II boerde niet slecht en bouwde in Amsterdam een naam op als scheepsbouwer. Zijn eerste zoon Daan (nummer III dus) trad als vanzelfsprekend in zijn voetsporen. Hij had het niet lang op de hbs kunnen uithouden en ging al op z’n vijftiende in de leer als technisch tekenaar bij de Marinewerf. Erg moeilijk was het voor hem niet om aan een baantje te komen: op zijn zeventiende kwam hij in dienst van zijn oom Pieter, op de werf Conrad aan het Spaarne in Haarlem. Deze oom had hem graag als opvolger gezien, maar vader Daan II beschikte anders en zette hem aan het werk op ’t Kromhout. Na zijn huwelijk met de Nijmeegse Lien Duys trok hij bovendien in de woning van zijn vader naast de werf. Later haalde hij zijn jongere broer Jan in het bedrijf en samen slaagden ze erin het bedrijf nog verder te moderniseren en uit te breiden met de productie van werktuigen, stoommachines en later kleindiesels. De broers vulden elkaar goed aan: Daan III, de handelsman, regelde de opdrachten en Jan, de technicus, deed de research.

Zeeschepen en motoren
De zaken gingen zo goed dat de beide broers de werf in 1904 van hun vader konden kopen, maar dat betekende niet dat hier ook hun toekomst lag. In 1908 lieten zij een nieuwe fabriek bouwen in de Ketelstraat in Amsterdam-Noord, de Kromhout Motoren Fabriek (KMF), waar Jan zich ging toeleggen op de bouw van motoren voor machines, schepen en vliegtuigen. Daan III bleef op ’t Kromhout totdat hij de werf in 1911 verkocht en zijn broer ging bijstaan in de motorenfabriek, die inmiddels sterk was uitgebreid en waar op dat moment zo’n 200 man personeel werkte. Maar de motorenfabriek verschafte Daan niet genoeg voldoening. Zijn hart ging toch vooral uit naar de scheepsbouw. Hij aarzelde dan ook geen moment toen hij in 1919 zijn vader kon opvolgen als directeur van de Nederlandsche Scheepsbouw Maatschappij (NSM), toen nog gevestigd op Oostenburg.
De werf van de NSM, opgericht in 1894 door J.T. Cremer (minister van Koloniën en later president van de Nederlandsche Handel-Maatschappij) en Jhr. L.P.D. Op Ten Noort (president-commissaris van de Stoomvaart Maatschappij Nederland), was opgezet door zijn vader. Die had daarbij gebruik gemaakt van de vier sinds 1891 ongebruikte scheepshellingen van Werkspoor aan de Conradstraat en veel van de oud-medewerkers van die geliquideerde Werkspoor-werf kwamen vervolgens weer in dienst van de NSM.
De initiatiefnemers waren er stellig van overtuigd dat er naast de reparatiewerf de Amsterdamsche Droogdok Maatschappij in Amsterdam plaats was voor een grote, modern geoutilleerde werf voor zeeschepen. Daarvoor was wel veel kapitaal nodig (één miljoen gulden, voor die tijd een enorm bedrag) en dat kon alleen worden verkregen door een naamloze vennootschap die aandelen kon uitgeven. De familie Goedkoop kon zo’n onderneming niet zelf financieren, zoals wel was gebeurd met de Kromhout Motoren Fabriek. Wél kreeg de familie de dagelijkse leiding over het bedrijf in handen: Daan II als directeur en zijn zoon Heijme vanaf 1901 als bedrijfsingenieur, procuratiehouder én onderdirecteur. En vanaf 1919, samen met zijn broer Daan III, als directeur. Hun vader werd toen gedelegeerd commissaris.
Na een aarzelend begin kwam de NSM vanaf omstreeks 1900 goed op stoom. De industrialisatie maakte in korte tijd voorheen onvermoede ontwikkelingen mogelijk. Tal van productieprocessen werden gemechaniseerd, zodat er steeds sneller, steeds meer goederen beschikbaar kwamen. En de transportmogelijkheden hielden gelijke tred met die veranderingen. Tijdens en vlak na de Eerste Wereldoorlog zaten de belangrijkste rederijen te springen om grote (zee)schepen. Er waren veel schepen uitgevallen omdat ze in het strijdgewoel door torpedo’s waren vernietigd of omdat ze door vijandelijke troepen in beslag waren genomen, maar bovendien ontstond er door de stijgende vrachtvolumes en –prijzen behoefte aan grotere vrachtschepen. De oude werf op Oostenburg kon het niet meer aan en de doorvaart via de Oosterdoksluis naar het IJ werd te smal en te ondiep. Na veel vertragingen kon er in 1922 een nieuwe werf in gebruik worden genomen, op een terrein aan Zijkanaal I, bij Tuindorp Oostzaan. Daar werden aan het IJ lange betonhellingen aangelegd en om het beeld compleet te maken staken hoog boven de werf uit grote rijdende portaalkranen. De werf, die verder bestond uit een enorm hallencomplex, werd uitgerust met de modernste apparatuur. Mede hierdoor kon de NSM de crises van midden jaren twintig en dertig overleven; met veel moeite en overheidssteun, dat wel. In 1930, een topjaar, had de werf liefst 2300 mensen in dienst en ook de vele toeleveringsbedrijven profiteerden van het succes van de Amsterdamse scheepsbouw. In de jaren 1938-1940 groeide de NSM zelfs uit tot de op een na grootste werf van de wereld.

Een tweede Goedkoop-werf
“Zelden is een naamloze vennootschap zoo verbonden geweest met een familie als de NSM met de Goedkoops,” schreef J.H. Wijnand in 1944 in Het Schiprijck Amsterdam, een gedenkboek dat verscheen toen de NSM 50 jaar bestond. Piet Goedkoop, de zoon van Daan III, wil wel beamen dat dat zo was. En hij kan het weten, want in 1928 kwam hij zelf op de werf werken en in 1935 kwam hij er ook in de leiding. De verbondenheid was nu eenmaal groot, erkent hij. “Dat kwam in de eerste plaats door de persoonlijkheid van mijn grootvader [Daan II, red]. Hij was een heel markante figuur, qua verschijning én qua optreden. Vandaar dat men vaak niet sprak van de NV Nederlandsche Scheepsbouw Maatschappij, maar van de werf Goedkoop. Mijn vader was vreselijk knap in public relations. Hij wist de werf vaak in de krant te krijgen, onder andere met tewaterlatingen. Mede op zijn initiatief is bovendien in 1916 de Industrieele Groote Club opgericht. Daar was hij ook voorzitter van. In die club, in gebouw Industria, kwamen zo’n beetje alle industriëlen van Amsterdam. Verder was hij lange tijd voorzitter van de Koninklijke Nederlandsche Roei- & Zeilvereniging. Hij was veel extroverter dan mijn grootvader, die vrij bescheiden was en veel minder naar buiten trad, al was hij wel lid van de Provinciale Staten.”
Het netwerk van Daan III en zijn vlotte optreden in de openbaarheid hebben – deels misschien bewust – de indruk gewekt dat de werf van Goedkoop was. “Mijn vader was een erg sterke, dominante, persoonlijkheid. Hij overvleugelde ook zijn broer Heijme. Die was een erg knappe technicus – hij heeft indertijd de nieuwe werf in Noord ontworpen - maar bleef ook vanwege zijn suikerziekte op de achtergrond. Iedereen was bang voor mijn vader en iedereen adoreerde hem. Als hij iets in zijn hoofd had, dan gebeurde het ook. En hij had een manier om je iets bij te brengen, dat je het niet in je hoofd kreeg om het níet te doen. Hij kon vréselijk boos worden als het niet naar zijn zin ging. En dat was natuurlijk een groot verschil met oom Heijme: dat was een zachte man. Ook zijn broer Jan van de KMF, door familie ook wel ‘Jan Kromhout’ genoemd, kwam er niet aan de pas. Daan had de ideeën en probeerde die z’n broer op te leggen.”

Onenigheid
Dat laatste wordt betwist door Martinus, een zoon van Heijme: “Oom Jan was helemaal niet zo’n zacht mannetje hoor, dat was een hele harde, als graniet was die man. Een schérpe man ook, die liet zich ook door oom Daan niets zeggen. Alleen in het begin, op werf ’t Kromhout was Daan dominant. Toen Jan eenmaal in Noord grond onder de voeten had, toen hij die Kromhoutmotor had, liet hij zich niets meer zeggen door Daan. Hij maakte niet zozeer ruzie, hij manoeuvreerde hem er gewoon uit. En later zei hij tegen de jonge Daan (Daan IV, in de Kromhout Motoren Fabriek gezet door zijn vader Daan III): ‘jij wordt hier nooit directeur, denk dat maar niet.’”
Martinus Goedkoop noteerde twintig jaar geleden al eens een anekdote over het optreden van Daan III bij de tewaterlating van de kruiser Sumatra in 1920. De toen negenjarige Martinus stond erbij en keek er vol ontzag naar: “Koningin Wilhelmina zou de plechtigheid verrichten. Ze stapte bij aankomst aan de verkeerde kant uit de auto, hetgeen verwarring veroorzaakte. Er was namelijk aan de andere kant speciaal een loper klaargelegd vanwege het modderige werfterrein. Hare Majesteit werd daar wat boos over: het was vlak na de oorlog en ze wilde geen extra luxe voor zichzelf. Ik stond op een vooruitgeschoven plaats naast de vlag en toen oom Daan en vader met Wilhelmina en Prins Hendrik voorbij kwamen, kon ik hun gesprek horen. Nu waren alle uitnodigingskaarten verwisseld door de post - vermoedelijk niet zonder opzet - met als gevolg dat het publiek van de vierde rang ten dele op de eerste rang zat. Wilhelmina zag dat onmiddellijk en zei met luide stem, wijzend op de eersterangs tribune: ‘Meneer Goedkoop, dat is zeker uw volk, hè.’ ‘Ja, majesteit,’ antwoordde mijn oom en voegde er snel aan toe: ‘En ook úw volk, majesteit.’ En toen ze wat streng opkeek: ‘Ja, majesteit, dat zijn állemáál uw onderdanen.’ Kijk, alles zat tegen, en oom Daan zette met één gevat antwoord, binnen de etiquette, verlies om in winst. Ik vond dat razend knap.”
Hoe ging het verder met de NSM? Vlak na de viering van het 50-jarig jubileum bliezen Duitse Sprengkommando’s de werf op, samen met de naburige reparatiewerf Nederlandsche Dok Maatschappij (NDM, sinds 1920). In 1946 fuseerden beide werven tot NDSM en in de jaren vijftig en zestig beleefde deze combi gouden tijden. De oliecrisis van 1973 maakte echter pijnlijk duidelijk dat de eenzijdige specialisatie op tankerbouw een riskante keerzijde kende. De NDSM raakte in een neerwaartse spiraal en de twee delen werden uiteindelijk weer opgesplitst in een reparatiebedrijf (dat nu ADM ging heten) en een nieuwbouwwerf (die weer de naam NSM kreeg). In 1984 viel definitief het doek voor deze sterk afgeslankte NSM. Met de overname van de NDSM door het Verolme-concern in 1968 verdween ook Piet Goedkoop uit de leiding van de werf. Al eerder had de familie zich teruggetrokken uit de Amsterdamse motorenbouw. Het Goedkoop-rijk in de Amsterdamse groot-metaal werd daarmee verleden tijd.

Tekst: Vladimir Mars
April 2006

Powered by JReviews