Bouwmeester van de oude stempel
Huizen er twee zielen in de borst van Joop van Stigt? Hoe kan een angry young man van het Nieuwe Bouwen zich anders ontpoppen als pleitbezorger van renovatie?
Wie het werk van Van Stigt beziet, ziet Bijlmerflats en opgeknapte pakhuizen, twee volkomen verschillende genres. Pas bij nadere beschouwing blijken de Gouden Leeuw en het Entrepotdok toch niet op gespannen voet te staan. Ze zijn beide ontsproten aan de drang om bewoners en gebruikers van zijn panden zoveel mogelijk te geven met inzet van zo min mogelijk middelen. Met zijn ethos van zuinigheid en hard werken heeft Van Stigt iets calvinistisch over zich – al stamt hij uit een rooms-katholiek nest.
Joop van Stigt werd geboren op 6 januari 1934 in Amsterdam. Zijn oudere broer wilde missionaris worden. De jonge Van Stigt redeneerde dat hij de te bekeren volkeren beter van dienst kon zijn door hun huizen, kerken, scholen en ziekenhuizen te geven. Zijn broer werd uiteindelijk geen missionaris, maar Joop van Stigt werd wel architect.
Geduchte tegenstander
Van Stigt nam banen bij architectenbureaus om het vak van onderaf te leren. In de avonduren studeerde hij aan de hts en later aan de Amsterdamse Academie van Bouwkunst. In 1961 kreeg hij het academiediploma. Van zijn langdurige, maar uiterst gedegen vorming zou hij altijd profijt hebben. De Nederlandse architectuur werd en wordt immers gedomineerd door de Delftse bouwkundig ingenieurs met hun vooral theoretische opleiding.
Van Stigt daarentegen kent elk detail van het bouwproces als zijn broekzak. Daarom was hij een geduchte tegenstander van aannemers en uitvoerders. Bij Van Stigt viel niet te goochelen met bestekken. Een Amsterdamse bouwambtenaar moet ooit gezegd hebben dat Van Stigt “de slechtste architect van Nederland is… voor aannemers”. In plaats van architect werd Van Stigt vaak ‘bouwmeester’ genoemd, een ambachtsman van de oude stempel die ook nadat de tekeningen voltooid zijn bij het bouwproces betrokken blijft.
Zijn eerste werkgever was Alexander Bodon, de architect van het Apollohotel en de RAI die Le Corbusier en Mies van der Rohe als leidsfiguren had. Van Stigt tekende daar onder meer aan woningen voor Slotermeeer en het Lumièretheater. Bij Bodon ontmoette Van Stigt ook Aldo van Eyck, voor wie hij van 1957 tot 1961 hoofdopzichter en tekenaar was. Van Stigt was nauw betrokken bij de realisering van het vermaarde Burgerweeshuis. Anders dan veel collega’s had Van Stigt geen moeite met de als onhandelbaar bekend staande Van Eyck. ‘Er is voor mij geen discussie over mogelijk: Aldo van Eyck was de beste architect van de eeuw,’ zei hij bij diens overlijden.
Met Aldo van Eyck, en ook met Herman Haan en de schrijver Bert Schierbeek, deelde Van Stigt zijn levenslange liefde voor het Dogon-volk uit het straatarme Afrikaanse Mali. Een heel aparte tak uit zijn oeuvre zijn de woningen en voorzieningen die Van Stigt ontwierp voor de Dogon Vallei, en vaak uit eigen zak bouwde. Toen Van Stigt zestig werd gaf hij geen feest, maar investeerde hij in een school. Hij publiceerde in 1999 een fotoboek over de Dogon. Nu zet hij zich in voor een technische school voor duizend leerlingen. VN-secretaris-generaal Kofi Annan feliciteerde hem er persoonlijk mee.
Zuivere vormen
In 1963 richtte Van Stigt zijn eigen architectenbureau op. Voor een van zijn eerste werken, de personeelskantine van de nieuwe Technische Hogeschool Twente in Enschede (1964), kreeg hij een prijs. Een Prix de Rome, de aanmoedigingsprijs voor jonge kunstenaars en architecten, had hij al op zak, en er zouden nog vele prijzen volgen. Van Stigt vormde samen met mensen als Piet Blom en Herman Haan de angry young men van het Nieuwe Bouwen, de internationale stroming die terug wilde naar zuivere, ambachtelijke vormen zonder tierelantijnen, en die de gebruiker centraal stelde.
Opzien baarde Van Stigt in 1971 met zijn eerste Amsterdamse schepping, de St. Willibrorduskerk in de Van Ostadestraat. Dit structuralistische gebouw was wel even iets anders dan de kerk van Pierre Cuypers aan de Amsteldijk waarvoor het in de plaats kwam. Veel Amsterdammers schrokken van een katholieke kerk die uit strakke achthoeken opgebouwd was. Waar een kerk meestal een verticaal oprijzend element in een voornamelijk horizontale omgeving is, draaide Van Stigt de boel om: de St. Willibrorduskerk werd horizontaal, en zelfs lager dan zijn omgeving. Van architectenzijde werd het gebouw om zijn heldere constructie geroemd.
Naam maakte Van Stigt vooral met zijn grote inzet voor de hergebruik van gebouwen. Zijn renovatie van het immense pakhuizencomplex aan het Entrepotdok achter Artis kan gerust een huzarenstukje worden genoemd. Begin jaren zeventig stond dit deel van de stad op de nominatie om met de grond gelijk te worden gemaakt.
De 84 monumentale pakhuizen, voornamelijk uit de achttiende eeuw, waren sterk verwaarloosd en door brand aangetast. Plannen om er premiekoopwoningen in onder te brengen liepen spaak op de financiële invulling. Daardoor niet afgeschrikt kreeg een gelukkige combinatie van mensen het na lang en hard werken voor elkaar de panden om te bouwen voor de sociale huursector. Het waren Joop van Stigt, de legendarische wethouder Jan Schaefer en de leden van het Entrepotcomité.
Nog steeds komen uit de hele wereld geregeld belangstellenden naar het indrukwekkende resultaat kijken. Er werden bijna vierhonderd woningwetappartementen in tientallen varianten gerealiseerd rond een geheel nieuwe binnenstraat op vijf meter hoogte, voor een lagere prijs dan nieuwbouw. Er zijn twintig onderkomens voor woongroepen, bijna vijftienduizend vierkante meter bedrijfsruimte en 130 overdekte parkeerplaatsen.
Liever ombouw
Het Entrepotdok is het ‘grootste woningwetmonument van Europa’ en markeert het hoogtepunt van zowel Jan Schaefers stadsherstel als de faam van Joop van Stigt als renovatiegoeroe. Die faam mondde in 1987 uit in een hoogleraarschap aan de bouwkundefaculteit in Delft – de opleiding die Van Stigt zelf nooit had gevolgd. Van Stigt was de eerste hoogleraar in de renovatiearchitectuur en bestookte de buitenwacht geregeld met gepeperde pleidooien voor “zelfbewuste renovatie”.
Er wordt in Nederland veel te lichtvaardig gekozen voor sloop, bleef hij herhalen, terwijl hergebruik vaak de beste weg is naar kwaliteit en kostenbesparing – vooropgesteld dat de juiste expertise voorhanden is. Hergebruik is in de visie van Van Stigt vooral sociaal-economisch wenselijk. Het gaat hem niet om nostalgie: het uiterlijk van oude gebouwen is volgens Van Stigt maar een overgewaardeerd onderdeel van het grotere geheel. Hij noemt zijn werk dan ook zelden restauratie, maar verbouw of nog liever “ombouw”. Tussen Van Stigt en kunsthistorici is het dan ook niet altijd koek en ei.
Zijn zoon André, geboren in 1959, heeft inmiddels het vaandel overgenomen. In 1981 trad hij toe tot het architectenbureau van zijn vader. Hij werkte mee aan de renovatie van het Entrepotdok. Sinds 1999 is hij directeur. André specialiseerde zich volledig in de renovatiearchitectuur en het verantwoord hergebruik. Na het Entrepotdok bogen de Van Stigts zich over een groot aantal andere in het oog lopende renovatieprojecten.
De projecten bevinden zich voornamelijk – maar niet uitsluitend – in Amsterdam: de Oranje Nassau Kazerne in Oost bijvoorbeeld, bijna alle belangrijke kerken van Amsterdam, het Filmmuseum en het Olympisch Stadion. De ombouw van de Graansilo’s op de Silodam was een met het Entrepotdok vergelijkbare klus. De Graansilo’s konden in samenwerking met de aanvankelijk tegenstribbelende buurt van de sloop worden gered. Een van de recentste projecten is het tot mediacentrum omgebouwde pakhuis De Zwijger in het Oostelijk Havengebied.
Vader en zoon hebben nog heel wat in petto. Momenteel is het Gerrit van der Veen College in Amsterdam-Zuid onder handen bij Architectenbureau Van Stigt. Op de voorbereidingslijst staan de ombouw van onder meer het Conservatorium aan de Van Baerlestraat, de Markthallen, Artis, de tramremise in de Kinkerbuurt, Hotel de l’Europe en Diamantvakbondsmuseum De Burcht.
Praatje met de buren
Hoewel Van Stigt vooral naam maakte met zijn ombouw-projecten, is hij tevens een vaardig ontwerper van nieuwbouwplannen. Zijn omvangrijkste nieuwbouwproject is het complex van 729 woningen en zes ateliers in de wijken Groenhoven en De Gouden Leeuw van de Bijlmermeer. Anders dan overige Bijlmercomplexen zijn het geen galerijflats maar comfortabeler woningen voor de wat beter gesitueerden. Aanvankelijk waren ze bedoeld voor de premieverhuur, uiteindelijk werden het premiekoopwoningen.
Van Stigt zette zich af tegen de “horizontalitis” van de Bijlmer. Paradoxaal genoeg om het contact met de buitenwereld te bevorderen, werden zijn Gouden Leeuw-flats verticaal: woontorens dus. De bewoners hoefden maar naar beneden te gaan, en dan waren ze buiten in het park; de lange wandeling over de galerijen en binnenstraten bleef hun bespaard. Een voordeel vond Van Stigt ook “dat één moeder vanuit haar woning toezicht kon houden over wel twintig buiten spelende kindjes”.
De geschiedenis heeft hem gelijk gegeven. Anders dan de stereotiepe Bijlmerflat zijn de achttien Gouden Leeuw-woontorens nooit het toneel geweest van sociale ontwrichting. Ze horen zelfs bij de weinige gebouwen in de Bijlmer die mogen rekenen op enige waardering van het grote publiek.
De Gouden Leeuw is een schoolvoorbeeld van structuralisme volgens Van Stigt. De mens staat centraal. Van Stigt “bouwde vanuit de ontmoeting”. De balkons zijn bijvoorbeeld zo gemaakt dat je je er in een hoekje kunt terugtrekken, maar ook over de afscheiding een praatje met de buren kunt maken. De vensterbanken in de centrale hallen zijn zo breed dat de buren er tijdens hun onderlinge contact ook even bij kunnen gaan zitten. Hoewel de appartementen voor Amsterdamse begrippen ruim zijn, is ook veel volume gereserveerd voor gemeenschappelijk gebruik.
Met de Gouden Leeuwflats liet Joop van Stigt zien dat een vasthoudend architect die het hele bouwproces overzag, tot indrukwekkende resultaten kon komen. In Amsterdam-Noord staan van Van Stigt nog de St. Rosa Huishoudschool en de Manege voor Gehandicapten. Veel grote nieuwbouwopdrachten kreeg hij niet meer; wellicht juist vanwege zijn vasthoudende karakter. De angry young man ontwikkelde zich tot de goeroe van de ombouw.
Tekst: Sjaak Priester
Oktober 2007






