De tsaar en de apotheker Opmerkelijk

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.      Maart 08, 2013    
1002   0   0   0   0   0

Dossiers

Peter de Grote arriveerde in 1697 in Amsterdam. Leergierig verdiepte hij zich hier en in Zaandam in westerse techniek, wetenschap en kunst. De kennis, inzichten en voorwerpen die hij in Amsterdam vergaarde, vormden de grondslag voor zijn Kunstkamer in Sint Petersburg. In 1716, kort voor zijn tweede bezoek aan Amsterdam, kocht de tsaar de enorme collectie van Albertus Seba, apotheker in de Haarlemmerstraat.

[TEKST: Jozien Driessen, Ons Amsterdam november 1997]



Het jaar 1997 is onder meer Peter de Grote-jaar. En de tentoonstelling over deze Russische vorst, eerder te zien in de Hermitage in Sint Petersburg, gaat op 17 december aanstaande open in het Amsterdams Historisch Museum. ‘Peter de Grote en Holland’ belicht de culturele en wetenschappelijke betrekkingen tussen Russen en Nederlanders in de tijd van deze tsaar, die leefde van 1672 tot 1725. Het vijf jaar durende onderzoek van Russen en Nederlanders dat aan de expositie vooraf ging, leverde veel informatie op over de redenen waarom deze nieuwsgierige tsaar in 1697-1698 uitgerekend naar Holland kwam en juist daar zijn twee eerste grote collecties voor zijn eerste Russische museum aankocht.

Kunstkamer eerste Russische museum
De kennismaking met Amsterdam maakte diepe indruk op de boomlange, 25-jarige Peter. Zijn vier maanden durende verblijf in de winter van 1697-1678 in Holland, waar een totaal andere manier van leven en denken heerste dan in Rusland, had ingrijpende gevolgen. Hem bevielen de vrije omgangsvormen en de deelname van vrouwen aan het openbare leven. Terug in Moskou liet Peter allereerst zijn vrouw opsluiten in een klooster; ze voldeed niet aan zijn nieuw verworven normen. Zijn raadsheren en edelen moesten hun baarden afknippen en hun kaftans inkorten, zodat ze letterlijk ‘de handen uit de mouwen konden steken’.
Peter de Grote besloot zijn land te hervormen en te moderniseren opdat het net zo rijk en welvarend werd als Holland. De door hem aangestelde burgemeesters moesten dezelfde rijkdom verwerven als hij in de Hollandse steden had gezien. Hij was gegrepen door de sfeer van vrijheid waarin álle vragen gesteld konden worden en door de omgang met mensen die ervan overtuigd waren dat ze meer konden en wisten dan hun voorgangers. De tsaar wilde zijn onderdanen ook onderwijzen en laten kennismaken met al datgene wat hij bij Amsterdamse verzamelaars had gezien. In Sint Petersburg, gesticht in 1703 en in 1712 verheven tot de nieuwe hoofdstad, liet hij op een van de oevers van de Neva een groot pand bouwen, de Kunstkamer, waar exotische, kunstzinnige, oudheidkundige, natuurhistorische en wetenschappelijke zaken te zien waren.
Anders dan nu waren de ‘musea’ van rond 1700 nog universeel en dat gold ook voor de Kunstkamer. De hele wereld was er binnen handbereik door het tonen van alle dieren, alle planten, alle stenen, alle gebruiks- en siervoorwerpen van alle volken, alle religieuze voorwerpen van alle godsdiensten, en alle menselijke lichaamsdelen – geconserveerd op sterk water of gebalsemd. Buitenlandse geleerden werden uitgenodigd de collecties te komen bestuderen en zij bogen zich over de vraag of de eenhoorn bestond, of uit een kikker weer een vis groeide, of negers zwart werden geboren of waren geverfd, en over de vraag of alle talen te herleiden waren tot één oertaal.
Veel van Peter de Grotes hervormingen werden na zijn dood in 1725 teniet gedaan, maar de Kunstkamer bleef bestaan. In 1800 was de verzameling nog compleet en de toenmalige beheerder Osip Beljajev schreef in zijn catalogus: “Bijna iedereen weet dat de kunstkamer van de Academie van Wetenschappen in Sint Petersburg zijn ontstaan dankt aan tsaar Peter de Grote. De stad Amsterdam was de eerste, die er de basis van legde: “Legde de stad Amsterdam de basis? Nou ja, in ieder geval een Amsterdamse apotheker. Albertus Seba (1665-1736) had handel gezien in de ongebreidelde nieuwsgierigheid van de tsaar. Hij leverde Peter genoeg om zijn hele kunstkamer te vullen: duizenden dieren, planten, kunstig vervaardigde voorwerpen en boeken. Behalve zijn eigen verzameling verkocht Seba de tsaar ook die van collega-verzamelaar Frederik Ruysch, waarover verderop meer. Beljajevs formulering dat “de stad Amsterdam er de basis van legde” is ook letterlijk te nemen: voor zijn eerste buitenlandse reis in 1697-1698 wist de tsaar immers niets van kunstkamers en hun nut voor de wetenschappen. Pas in Amsterdam leerde hij zulke verzamelingen kennen en waarderen.

“Studie is gebannen daar”
Peter groeide op in het Kremlin te Moskou en kreeg er onderwijs tot zijn tiende. Toen stierf zijn halfbroer Fjodor die tsaar was en werd hij, in naam althans, zijn opvolger. De feitelijke macht werd uitgeoefend door Peters oudere zus Sofja. Zij betaalde ook voor de speelregimenten, waarin Peter en zijn vrienden, getraind door (buitenlandse) militairen, met echte soldaten en echte kanonnen vochten en waarin echte gewonden vielen. Ook ontwikkelde de jonge Peter een passie voor schepen en zeilen. Na navigatielessen van een Nederlander op steeds grotere boten gebouwd door nog een Nederlander, doorliep hij ten slotte op een Nederlands schiep, op de Witte Zee bij Archangal, alle rangen om het zeemansvak onder de knie te krijgen.
Een centrum van geleerdheid in Peters tijd was de Aptekarski prikaz, de apothekerskanselarij, te vergelijken met een ministerie van gezondheid. De bibliotheek bezat het boek van de Deense verzamelaar Ole Worm over diens kunstkamer en er werden ook preparaten bewaard. Het valt te betwijfelen of Peter er voor zijn eerste buitenlandse reis ooit binnen is geweest. Aangekomen te Riga, bekeek hij vol verbazing in een apotheek aldaar een glazen pot met een hagedis op sterk water; destijds de normale manier om naturalia te bewaren. Peters verwondering was niet vreemd. “Ze weten niet van de wetenschappen en hebben weinig belangstelling voor gebeurtenissen in de geschiedenis van hun vaders en voorvaders en ze geven niet om de eigenschappen te kennen van vreemde volkeren. Op hun bijeenkomsten spreken ze er niet over, “schreef Adam Olearius in zijn standaardwerk over Rusland, dat in 1651 in Amsterdam verscheen.
Die observatie werd bevestigd door Nicolaas Witsen (1641-1717) in zijn Moscovische Reyse, 1664-1665. Deze Amsterdamse burgemeesterszoon (en latere burgemeester en verzamelaar) vroeg iedereen die hij in 1665 in Rusland tegenkwam naar wetenswaardigheden, waarover hij in Amsterdam gewend was te spreken. Hij constateert in zijn reisverslag: “Studie is gebannen daar en men noemt se ketters die daar de hand aan houden.” Deze bange, afwerende houding tegenover wetenschappen wist Peter te veranderen door zijn leergierigheid en zijn buitenlandse reizen.
Frans Lefort, een militair van Zwitserse afkomst, woonde net als andere buitenlanders in een aparte wijk van Moskou. Vaker dan in het sombere Kremlin was Peter hier te vinden. Grif aanvaardde de jonge tsaar Leforts voorstel om zelf eens een kijkje te gaan nemen in het ‘echte’ buitenland. Het Grote Gezantschap dat in 1697 Moskou verliet, telde 250 mensen en 1000 sleden. De tsaar reisde ‘incognito’ onder de naam Peter Michaljov. Dat incognito betekende vooral ‘gematigde aandacht’ bij aankomst’; het was niet de bedoeling dat de 2,04 meter lange Russische vorst over het hoofd werd gezien.
Overal waar hij kwam, vroeg hij hem de bijzondere dingen te laten zien. Omdat dergelijke zaken bewaard werden in (rariteiten)kabinetten en kunstkamers, leerde Peter op zijn eerste Europese reis – en vooral in Amsterdam – het fenomeen kunstkamer kennen. Amsterdammers als de hiervoor genoemde Witsen en Ruysch en anderen, onder wie Levinus vincent, Nicolas Chevalier en Jacob de Wilde, introduceerden Peter in de wereld van de wetenschap. De tsaar schafte onderweg al wat stukken aan en liet die naar Moskou overbrengen. Bekend is dat hij ook enkele zoölogische preparaten kocht. Ook voor praktische, technische vindingen had hij belangstelling: een stuk of tien door Jan van der Heijden ontwerpen luchtdruk-brandspuiten werden naar Archangel verscheept.
Ruim vijftien jaar later, in 1714, liet de tsaar deze basiscollectie samen met latere aankopen overbrengen naar zijn paleisje in het zomerverblijf Peterhof te Sint Petersburg. Dat was het begin van de Kunstkamer. Door allerlei handelscontacten in Petersburg waren diverse Amsterdammers op de hoogte van de activiteiten van de tsaar. Apotheker en verzamelaar Albertus Seba maakte de droom van menig Amsterdamse rariteitenverzamelaar en kunstkamerbezitter waar en zag kans om zijn rijke collectie in een keer te verkopen aan een vorstelijk persoon.

Postorderverkoop avant la lettre
Het initiatief ging uit van Seba, die sinds 1711 contacten had met Rusland. De apotheker voorzag behalve Amsterdammers bijvoorbeeld ook Duitse apotheken van medicijnen. Hij kon in Amsterdam relatief goedkoop exotische produkten inkopen, aangevoerd door de retourschepen van de Verenigde Oostindische Compagnie. In 1715 wist Seba leverancier te worden van de hofapotheek van Petersburg, de hofapotheek van Moskou en van de veldapotheek. Over de bestellingen correspondeerde Seba met lijfarts van de tsaar, de Schot Robert Areskin (1677 – 1718) en diens secretaris Johan Daniel Schumacher.
Deze brieven, enkele zomers geleden teruggevonden in het archief van de Peterburgse Academie van Wetenschappen, tonen de ongelooflijke gevolgen van Seba’s handelwijze aan. Dankzij die brieven weten we nu hoe hij erin slaagde de tsaar per post eerst zijn eigen collectie van duizenden stuks naturalia en kunstvoorwerpen te verkopen en vervolgens te bemiddelen bij de verkoop van de collectie van Frederik Ruysch. De ondernemende zakenman heeft de tsaar bij diens eerste bezoek aan Amsterdam niet ontmoet. Dat is ook wel verklaarbaar, want de in Noord-Duitsland geboren Seba was nog maar drie maanden voor Peters komst ingeschreven als poorter van Amsterdam. Zijn apothekersexamen behaalde hij, als 32-jarige, op 11 juni 1697. Seba kocht op 2 februari 1700 een pand in de Haarlemmerstraat, waar hij ging wonen en zijn apotheek vestigde, Die Deutsche Apotheke.
Zoals gezegd voerde Seba een briefwisseling met Peters lijfarts Robert Areskin, die tevens hoofd was van de apothekerskanselarij. Areskin was ook de zorg toevertrouwd van de ‘verzamelingen van de tsaar’. Seba was goed op de hoogte van de kabinetten die de tsaar in 1697 bezocht had. In een brief uit 1715 somt hij eerst zijn eigen verzameling op en zegt dan dat “zijn stukken in aantal veel meer zijn dan die van doctor Ruysch en van Vincent, die zijne tsaarse hoogheid zo goed was om in Amsterdam te bekijken”.
Het kostte Seba bijna een jaar om de tsaar tot aankoop te bewegen. Hij slaagde in zijn opzet door eerst dokter Areskin en later de tsaar zelf met presentjes te bestoken. Zo stuurde hij eens een “gulden kaste welche in Cina gemacht ist (…) fur ein klijn present”. En later zond hij “weijl ich vernehme dat Ihre Excellenz ein liebhaber seijn” (…) “ein kleine collection (…) zu beweijsen wie wunderlich die geschöpften Gottes seijn”. Ten slotte bood hij zijn hele collectie te koop aan. Hij beloofde een lijst te maken en die op te sturen. Als voorproefje stuurde hij wat gewone schelpen en insekten. Uit vrees voor breuk durfde de apotheker het niet aan ook een voorbeeld uit zijn collectie van 800 “animalien in liquore” te verzenden.
De beloofde lijst met de voornaamste stukken is verzonden op 4 oktober 1715 en Seba vroeg voor de hele collectie een bedrag van f 15.000. De verzamelaar veronderstelde dat de grote heren en liefhebbers er wel meer voor over zouden hebben, maar hij gunde het niemand liever dan zijne keizerlijke majesteit, omdat het zoveel zaken waren en omdat het zo’n complete verzameling was. De brief waarin de tsaar ingaat op Seba’s aanbod en waarin het kabinet besteld wordt, is gedateerd op 14 februari 1716. Op 24 april beloofde Seba dat het kabinet over veertien dagen of hoogstens drie weken zou worden ingescheept.
Op 2 september 1716 kwamen de kisten aan. Hoewel er een kist met animalia was beschadigd, berichtte Schumacher tevreden aan zijn chef Areskin dat Seba nog veel meer gestuurd had dan “marqué dans son catalogue”. “Bovendien heeft Seba aan u persoonlijk gestuurd: a. anatomische preparaten, b. kistjes Franse vruchten en c. een Japans kistje,” aldus de brief van 17 september 1716. De Amsterdamse apotheker begon dadelijk met het aanleggen van een nieuwe collectie.

Oogstrelende zoölogische preparaten

Behalve dat Albertus Seba zijn eigen verzameling naar Rusland wist te verkopen, trad de onvermoeibare apotheker in de volgende jaren ook op als bemiddelaar bij de aanschaf van Franse boeken, Japans porselein, natuurkundige instrumenten, studies ‘naar de natuur’ van Maria Sybilla Merian, en een gevarieerde collectie schilderijen. Zijn grootste slag sloeg hij met het kabinet van professor Ruysch. Deze Amsterdamse hoogleraar in de anatomie beheerste een geheime techniek waarmee hij honderden oogstrelende, educatieve, zoölogische preparaten gemaakt had: droge preparaten én preparaten die op sterk water werden bewaard. Seba had al op 24 april 1716 aan zijn Petersburgse relatie geschreven dat Ruysch wel genegen leek om te verkopen. Als cadeautje voor Areskin zond hij een paar stukken van Ruysch mee, zodat de arts Ruysch’ manier van prepareren kon bekijken. Een jaar later werd de koop gesloten.
Laurentius Blumentrost kwam naar Amsterdam om de collectie te beschrijven en in te pakken. De tsaar betaalde ook voor het geheim van de manier van preparen van Ruysch. Seba hielp bij het inpakken. Uit de correspondentie blijkt dat de tere preparaten op 5 september 1718 zonder schade in Sint Petersburg arriveerden, na lange omzwervingen vanwege de belemmeringen voor de scheepvaart die de Noordse oorlog met zich meebracht.
De apotheker en de tsaar hebben elkaar uiteindelijk toch nog ontmoet: op Peters tweede reis naar Holland in 1716-1717. Seba schreef op 29 december 1716 aan Schumacher, die in Sint Petersburg was achtergebleven: “De tsaar is op kerstdag twee uur in mijn huis geweest, met Robert Areskin en andere grote heren om mijn nieuwe kabinet van rariteiten te bekijken. Waaraan de tsaar genoegen beleefde, wat mij plezier deed. Ik zal volgend jaar ter completering van het vorige kabinet nog wat opsturen.”
Peter de Grote kreeg ook aanbiedingen van anderen. De tsaar stuurde Schumacher in 1721 op reis om in Nederland en in andere Europese landen ontbrekende stukken voor de collecties op te kopen. De tsaar verwierf ook voorwerpen uit eigen land. In 1717 en 1722 gaf hij oekazes uit dat iedereen die bijzondere dingen vond die moest opsturen naar de Kunstkamer. Zo zijn de gouden sieraden uit de Siberische grafheuvels in de Kunstkamer terecht gekomen. Schumacher heeft beschreven dat hij verschillende keren op reis moest door Rusland om aanwinsten op te halen. Ook correspondeerde hij met aanbrengers van stukken over de preciese vindplaats ervan. Meestal ging het hierbij om enkele of hooguit tientallen stuks. Aantallen die in geen verhouding staan tot de reusachtige collecties van Albertus Seba en Frederik Ruysch, de twee Amsterdamse verzamelingen die de basis vormden voor de Kunstkamer van Peter de Grote in Sint Petersburg.

Auteur: Jozien Driessen

Powered by JReviews