Architect Han van Loghem Opmerkelijk

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     December 02, 2010    
1207   0   0   0   0   0

De rode architect

Han van Loghem kan je nauwelijks een Amsterdamse architect noemen. De meeste van zijn scheppingen vindt men rond Haarlem – én Siberië. Maar één van zijn origineelste projecten staat in Amsterdam: Betondorp. Van Loghem was een van de scheppers van dit zonderlinge wijkje aan de rand van Watergraafsmeer, dat illustere Amsterdammers voortbracht zoals Johan Cruijff en de gebroeders Van het Reve. Van Loghem was misschien wel de roodste architect die Nederland ooit gekend heeft.

Johannes Bernardus van Loghem kwam niet uit een arbeidersmilieu, maar kreeg een vooruitstrevende levenshouding met de paplepel ingegoten. Hij werd op 19 oktober 1881 in Haarlem geboren als zoon van een welgestelde bloembollenkweker met uitgesproken liberale en a-religieuze opvattingen. Hij was een van de eerste studenten aan de in 1905 opgerichte Technische Hoogeschool Delft en koos bouwkunde als hoofdvak voor zijn ingenieursexamen in 1909. Hij draaide enthousiast mee in het studentenleven, vooral als wedstrijdroeier. Direct na zijn afstuderen vestigde hij zich als zelfstandig architect in Haarlem. In 1911 trouwde hij met de Amsterdamse lerares en naaldkunstenares Bep Neumeier. Ze kregen één zoon en drie dochters en vormden een vooruitstrevend gezin, dat creativiteit hoog in het vaandel voerde.

Behalve een progressieve inborst had Van Loghem ook iets excentrieks: hij droeg vaak een monocle en bezocht zijn opdrachtgevers op een Harley-Davidson. Zijn tweedkostuums werden door zijn echtgenote zelf gemaakt. Hij speelde een rolletje bij de door de avant-gardistisch kunstenaar Theo van Doesburg georganiseerde Dada-avond op 11 januari 1923, waar Kurt Schwitters zijn roemruchte klankgedichten voordroeg.

In 1912 verhuisde het paar naar de prachtige, door Van Loghem zelf ontworpen villa De Steenhaag in Heemstede, waar ook het architectenbureau werd ondergebracht. Hij had een achttal medewerkers.

Werk had Van Loghem meteen meer dan genoeg. In de begintijd ontwierp hij ondanks zijn rode principes voornamelijk de gebouwen die je van een architect uit Heemstede kunt verwachten: villa’s voor de gegoede burgerij. De opdrachten kwamen vaak via zijn vader of zijn al evenzeer bemiddelde schoonvader. In de omgeving van Haarlem staan er nog heel wat: tamelijk traditionele ontwerpen in baksteen en met een steil zadeldak. Sommige zijn heel indrukwekkend. Verder hield hij zich bezig met utiliteitsbouw. Zijn belangrijkste opdrachtgever was de Kennemer Elektriciteits Maatschappij, waarvoor hij onder meer 80 transformatorhuisjes ontwierp.

Betonrot

Vanaf 1917 zette Van Loghem zich ook in voor de sociale woningbouw. Hij was gegrepen door het uit Engeland overgewaaide ideaal van de ‘tuinstad’, waar ieder arbeidersgezin zijn eigen woninkje met tuintje had, in plaats van te worden opgeborgen in de kapitalistische uitwas van de grootstedelijke etagewoning. “De etagewoning”, vond hij, “heeft slechts waarde voor ongehuwden en ouden van dagen.” Voor Van Loghem kwamen politiek en architectuur steeds meer in elkaars verlengde te liggen. In 1919 was hij een van de oprichters – samen met onder anderen Berlage – van de Bond van Revolutionair-Socialistische Intellectuelen. Overigens sloot hij zich nooit aan bij een politieke partij.

Linkse bevlogenheid was in het eerste kwart van de 20ste eeuw vrij algemeen onder bouwkundigen, maar Van Loghem ging nog een stapje verder: hij vormde zijn bureau om tot collectief. De architect was gewoon arbeider, vond hij, en niets beter dan een bouwkundig tekenaar. “De architect-patroon is een belachelijkheid, een uiting van burgerlijke zielen, die zich vastklampen aan het verleden.” Zo komt het dat menige kapitale villa in de bosrijke omgeving van Heemstede is ontworpen door een socialistisch collectief. Van opdrachten voor sociale woningbouw alleen was in die tijd eerlijk gezegd ook niet zo gemakkelijk te leven.

Een opdracht die Van Loghem op het lijf geschreven moet zijn geweest kwam in 1922: de gemeente Amsterdam wilde bij wijze van experiment in de zojuist bij de stad gevoegde Watergraafsmeer een tuindorp neerzetten voor ambtenaren en geschoolde arbeiders. Huurders zouden elkaar aanwijzen door middel van een coöptatiesysteem. Behalve in sociaal opzicht was de nieuwe wijk ook een experiment vanwege het toegepaste bouwmateriaal. De 900 woningen zouden worden opgetrokken uit beton. Belangrijkste voordelen waren de lage prijs en het feit dat er minder bouwvakkers nodig waren. In de jaren twintig heerste er een schreeuwend gebrek aan bouwvakkers en was de woningnood hoog.

Strakke vormen, platte daken

Vijftig architecten dongen mee naar opdrachten voor Betondorp, zoals Tuindorp Watergraafsmeer spoedig ging heten. Tien werden er uitverkoren, van wie Han van Loghem en diens bewonderaar Dick Greiner (1891-1964) de belangrijkste waren. Van Loghem kreeg deelopdrachten aan de Graanstraat, de Schovenstraat en het Zuivelplein – in totaal 120 woningen. Hij maakte gebruik van zogeheten bimsbeton, dat lichter is dan andere soorten en door de opgesloten lucht beter isoleert. Geweldig materiaal was het niet, want al 30 jaar na de oplevering werden de panden geplaagd door ernstige betonrot.

De strakke vorm en de platte daken zijn het summum van functionalisme. Alleen boven de voordeuren is iets van versiering aangebracht. De huidige ornamenten zijn overigens anders dan de oorspronkelijke; die werden na de Tweede Wereldoorlog verwijderd omdat ze te zeer deden denken aan een hakenkruispatroon.

Eigenlijk vindt de vroege veertiger Van Loghem met het werk aan Betondorp pas zijn vorm. Hij posteert hij zich als wegbereider van het Nieuwe Bouwen – zakelijk, strak, en wars van ornamentiek. “De prachtige gladde, vlakke muur”, stelde hij, moet niet “door uitsteeksels, voorsprongen, rare bochtige lijnen verfraaid worden.” Beton vond Van Loghem superieur aan baksteen of natuursteen. Het is “een meer vergeestelijkt materiaal”, schreef hij later. “Het is door studie uit den geest gesproken.” Dankzij beton kun je “met een minimum aan materiaal een maximum aan ruimte scheppen.”

Voor Van Loghem hoorde het begrip ‘stijl’ niet in de architectonische praktijk thuis. Het ging om functie en constructie. “Bouwen is een roeping vervullen die de mensheid tot dienst kan zijn”, was zijn motto. “Alle krachten, zowel materieele, geestelijke en psychische krachten van het leven, behooren in het bouwwerk tot eenheid gebracht en tot zuivere gestalte gevoerd te zijn.”

Wie het in 1987 gerenoveerde Betondorp nu beziet, schiet misschien de uitspraak van Gerard Reve te binnen: “Laat elke hoop varen, gij die hier opgroeit.” Maar kort na de oplevering werd het voorbeeld van Betondorp in binnen- en buitenland gretig nagevolgd. Goed beschouwd was Van Loghem zijn tijd flink vooruit.

Siberisch avontuur

Maar Betondorp vormde niet het hoogtepunt van Van Loghems socialistische bevlogenheid. De ‘rode architect’ uit Heemstede werd gegrepen door het sovjetavontuur en wilde daaraan een bijdrage leveren. Zo komt het dat een belangrijk deel van zijn oeuvre gezocht moet worden in Kemerovo, een kolen- en ijzermijnstad in Siberië, 3500 kilometer ten oosten van Moskou. Han van Loghem werkte er vanaf april 1926 aan de stedebouwkundige ontwikkeling. Hij ontwierp ook een aantal gebouwen – onder meer complexen met in totaal zo’n duizend woningen. Veel van zijn ontwerpen kwamen overigens niet verder dan de tekentafel, omdat Van Loghems architectuur voor de sovjetkameraden vaak een tikje te gewaagd was. Van Loghem op zijn beurt was bitter teleurgesteld dat zijn ideeën weinig weerklank vonden. “De Rus heeft geen wooncultuur”, klaagde hij.

Anderhalf jaar later keerde de architect nogal gedesillusioneerd terug, net als veel andere hoogopgeleide westerlingen. Aanvankelijk had hij zijn gezin willen laten overkomen om een heel nieuw bestaan op te bouwen. Maar hij liet dit idee varen, toen hij begreep dat zijn kinderen in Siberië geen fatsoenlijke opleiding zouden kunnen krijgen.

In Nederland kon hij moeilijk zijn draai weer vinden. Hij kromp zijn bureau in en verplaatste het naar Rotterdam. Opdrachten waren er niet veel meer door de algehele bouwmalaise. Zijn reputatie als rode architect zal niet geholpen hebben. In 1928 bouwde hij in Amsterdam aan de Zwanenburgwal in opdracht van een ijzerhandel voor een laag budget een pakhuis en kantoren. Het pand heeft nu een woonbestemming.

Hij bouwde nog enkele villa’s, een rusthuis in Driebergen en een zwembad in Haarlem. Nogal tegen zijn principes in ontwierp hij in 1933 als bijdrage aan de door Amsterdam uitgeschreven Prijsvraag voor Goedkoope Arbeiderswoningen een complex van 22 woontorens van 16 verdiepingen, maar dat kwam niet verder dan de voorronden.

De financiële perikelen hadden hun weerslag op zijn huwelijk, dat alleen met de grootste moeite in stand bleef. Hij werd docent aan de Amsterdamse bouwacademie en schreef veel in allerlei tijdschriften. Zijn maatschappelijke betrokkenheid legde hij neer in het tamelijk hoogdravende boek Bouwen, Bauen, Bâtir, Building (1932).

Op 28 februari 1940 overleed Han van Lochem, 58 jaar slechts, aan de complicaties van een op zichzelf onbetekenende medische ingreep.

Tekst: Sjaak Priester

Juli-Augustus 2009

Powered by JReviews