| |
| |
Tekst : Peter-Paul de Baar
Op advies van de Commissie Veerman besloten B&W in juni door
te gaan met de aanleg van de Noord-Zuidlijn. Stoppen is duurder
dan doorgaan, meent Veerman. Maar zijn alle risico’s serieus
genoeg genomen? Geoloog Piet Cleveringa is bang van niet. “De
Amsterdamse bodem is nog veel grilliger dan iedereen denkt.”
|
|
De kans op verzakking is dankzij de
boortechniek minimaal”, aldus
een folder van de gemeente in 1997, vlak
voor het referendum over de Noord-Zuidlijn.
Die lijn zou bovendien in 2007 klaar
zijn en de stad niet meer kosten dan een
“eenmalige bijdrage in de bouwkosten van
pakweg 100 miljoen”. Het liep anders. De
gemeente draait op voor alle gigantische
tegenvallers en nog vóór er iets is geboord
zijn de unieke wevershuizen en Maison
Descartes aan de Vijzelgracht al ernstig
verzakt en gescheurd. Wat staat ons nog te
wachten? Overziet de gemeente inmiddels
wél alle risico’s? Over één belangrijk aspect,
de bodem van Amsterdam, sprak Ons Amsterdam
met geoloog drs. Piet Cleveringa
(65), die hier al tientallen jaren onderzoek
naar doet.
Na zijn geologiestudie doceerde Cleveringa
dit vak tien jaar aan de Amsterdamse
VU, waarna hij overstapte naar de Rijks-
Geologische Dienst (RGD) in Haarlem, die
in 1997 opging in kennisinstituut TNO.
Inmiddels is hij officieel met pensioen,
maar met zijn oud RGD-collega’s Hein de
Wolf en Tom Meijer gaat hij vrolijk door
met onderzoek en advieswerk vanuit hun
eigen bureautje WMC Kwartair Consultants.
Hun specialisme zijn diatomeeën
(kiezelwieren) en schelpen, die kunnen
helpen de herkomst van een bodemlaag te
bepalen. “Die kennis is bij de universiteiten
wegbezuinigd.”
|

Boven: Bodemlagen onder het Frederiksplein.Dit affiche werd in 1986 uitgegeven
door De
Nederlandsche Bank bij de opening van de
nieuwe ronde kantoortoren, het eerste Amsterdamse
gebouw dat was gegrondvest op de derde
zandlaag (rond 2000 volgde de Rembrandttoren).
De drie zandlagen zijn goed herkenbaar.
Bovengronds
zijn behalve De Nederlandsche
Bank (hier sinds 1968) ook twee voorgangers
op het plein getekend: de Utrechtsepoort
(1658-1859) en het Paleis voor Volksvlijt
(1864-1929; zie in dit nummer ook pag. 294-
295). DE NEDERLANDSCHE BANK
|
Diepe kuil uit IJstijd
Hoe ontstond de bodem onder Amsterdam?
Tijdens de Grote IJstijd (het Saalien,
200.000-140.000 jaar geleden) kwam het
landijs in Amsterdam tot ergens bij de VU. “Dat bulldozerde de zanderige ondergrond
omhoog”, legt Cleveringa plastisch uit. “Rond Amsterdam werden stuwwalletjes
gevormd. Er ontstonden zo hogere stukken,
die je nu niet meer ziet doordat ze afsleten
en werden bedekt door egaliserende
nieuwe lagen. Aan de rand van het landijs
ontstond zo’n 150.000 jaar geleden een diepe
kuil: het Bekken van Amsterdam.”
In het Eemien (130.000–115.000 jaar
geleden) werd het klimaat weer warmer
en vulde de zee het bassin op. “De Eemzee
reikte tot voorbij Amersfoort!”, wijst Cleveringa
aan op de kaart. Zand en zeeklei
werden afgezet, met aardig wat fossiele
schelpjes. Tijdens de laatste ijstijd in het
Weichselien (115.000-10.000 jaar geleden)
drong het landijs niet meer tot hier door,
maar koud was het wel. De zee had zich
ook teruggetrokken. Over de toendraachtige
vlakten liepen mammoeten en
wolharige neushoorns. Vanaf 10.000 jaar
geleden won de Noordzee weer terrein en
ontstonden er moerassige gebieden. Dode
plantenresten uit de moerassen stapelden
zich op tot veen. Langs de zee woei het
afgezette zand op tot duinen. Maar rond
1100 na Christus brak de zee weer in het
veenlandschap in en vormde de Zuiderzee
en vervolgens de meren rond Amsterdam.
Honderd meter diep
Welke bodemlagen dat allemaal heeft
opgeleverd tot op zo’n 100 meter diepte,
is fraai verbeeld op een affiche dat De
Nederlandsche Bank in 1986 uitbracht.
Aanleiding was de bouw van een ronde
kantoortoren naast het oorspronkelijke
gebouw uit 1968. Die nieuwe toren was
het eerste Amsterdamse gebouw dat werd
gebouwd op de zogeheten derde zandlaag,
die op bijna 60 meter diepte ligt.
De eerste drie á vier meter onder
straatniveau (hier een metertje boven Normaal
Amsterdams Peil) bestaat uit puin en
bouwzand. Daaronder ligt ongeveer acht
meter veen en zeeklei.
Twaalf meter onder NAP begint de
ongeveer drie meter dikke eerste zandlaag.
Daarop werden vanaf de 16de eeuw
de meeste Amsterdamse huizen (inmiddels
van steen) gefundeerd. Na een paar
meters fijn zand met kleilaagjes, volgt van
ongeveer 17 tot 24 meter onder NAP de veel dikkere tweede zandlaag uit de laatste
ijstijd, waarop vanaf de Tweede Wereldoorlog
de meeste flats en kantoorgebouwen
zijn neergezet. Het oudste gebouw
op deze laag is echter het Centraal Station
uit 1889, domweg omdat hier in het IJ de
eerste zandlaag verdwenen bleek te zijn.
Door deze laag gaat de metrotunnel tussen
Damrak en Rokin geboord worden.
Iets dieper ligt tussen 25-53 meter onder
NAP de ‘groene zeeklei’ uit de tijd dat
de Eemzee hier klotste, bovenop een vrij
dunne laag keileem die door het landijs
is afgezet aan het eind van de Grote IJstijd.
Dit is de bodem van het Bekken van
Amsterdam. Bovenin deze kleilaag komt
de tunnelbuis tussen Rokin en Churchilllaan
te liggen. Deze laag ligt bovenop op
de derde zandlaag (55-100 meter diep). Als
we nog verder afdalen, ontmoeten we eerst
weer rivierafzettingen en pas na een kilometer
een stenige ondergrond van 65 miljoen
jaar oud. In Parijs en Londen ligt deze
steenbodem vrij dicht onder het maaiveld,
wat een zegen was voor de 19de-eeuwse
metrobouwers aldaar.
|

Geologisch profiel van Amsterdams centrum
vanaf
de Weteringbuurt naar Noord. De zigzaglijnen
verbeelden sonderingen: in slappe
grond wordt de
minste weerstand gemeten. Let
op de ‘gaten’ onder
het Beursplein en Centraal
Station. DELTARES |
Geweldige verschillen
Zo’n beetje alle Amsterdamse bodemlagen
zijn onder het Frederiksplein terug te
vinden. Maar dit beeld is niet representatief.
“Er zijn geweldige verschillen”, zegt
Cleveringa. Door allerlei omstandigheden
liggen bodemlagen op heel verschillende
diepten en ontbreken ze op veel plekken
zelfs helemaal. In Amsterdam-Zuid is het
Bekken van Amsterdam het ondiepst, in
Waterland het diepst. Dat beïnvloedt ook
de ligging van de bodemlagen daarboven.
“Dat is wel algemeen bekend, maar al die
ingehuurde jonge ingenieurs hebben vaak
geen benul hoe grillig het patroon kan zijn.
Daar zijn ze ook niet voor opgeleid: ze leren
de grote patronen. Pas als je het concreet
onderzoekt, ga je dat echt beseffen. Je
kijkt je ogen uit als je ziet op welke korte
afstand die lagen veranderen. Neem nou
het Beursplein. Daar werd in 1934, 1989 en
1996 op verschillende plekken geboord en
elke keer was de uitkomst totaal anders.” ’
Die verschillen kunnen door allerlei oorzaken
zijn ontstaan tussen pakweg een
miljoen en tien jaar geleden: landijs, stormvloeden,
aanplempen of juist uitdiepen van
de rivier, driftig turfsteken, het onbedoeld
doorboren van een dragend laagje, de druk
van gebouwen erboven, de grondwaterstand,
noem maar op. Cleveringa: “Neem
het ‘natte Damrak’: daar ontbreekt ineens
een reeks van bodemlagen, waarin een rare pap van afval en smurrie is gestort. Een natuurlijk
effect van de Amstel of het gevolg
van menselijk ingrijpen? Dat weten we nog
niet. Maar wel is duidelijk dat het voor metrobouwers
linke soep is, omdat niemand
exact weet waar dit gat begint of ophoudt.”
|
‘Tok! Tok! Tok!
En dat is wat Cleveringa het meeste dwarszit.
“Doe nou vooronderzoek! Kijk wat er
precies zit! Goed, langs de Noord-Zuidlijn
is gedetailleerd gesondeerd, dat wel. Maar
in essentie is dat niet veel meer dan weerstand
meten. Dat deed ir. Lely al, die van de
Afsluitdijk: die stampte met zijn peilstok
op de grond - ‘Tok! Tok! Tok!’ - en als er
wat aan bleef kleven, ging het naar het lab.
Maar wát het precies is, weet je pas zeker
als je gaat boren. En boringen zijn er volgens
mij veel te weinig gedaan. Natuurlijk,
dat er toch dingen over het hoofd worden
gezien, is bijna onvermijdelijk. Maar het is
ontzettend dom om op dit onderzoek te
bezuinigen. Wat kost dat nou op het totaal
van de bouwkosten?”
De gemeente geeft intussen hoog op
van de preventieve maatregelen die er zijn
genomen. Zo is de grond onder bijvoorbeeld
het Centraal Station, de Beurs van
Berlage, de Bijenkorf en de Munt verstevigd
door injecties met ‘grout’: een dun
soepje van cement en water. Eenmaal ondergronds verhardt het cement zich.
Hier en daar zullen bovendien grond en
damwanden worden bevroren. “Daar heb
ik niet zo veel verstand van”, erkent Cleveringa.
“Maar het is natuurlijk wel handig
als je weet welk type bodemlaag je aan het
behandelen bent.”
Explosief aardgaslaagje
En dan is er nog een heel bijzonder grondlaagje
met een heel speciaal risico: de Laag
van Harting. Vernoemd naar de 19deeeuwse
natuurwetenschapper Pieter Harting,
die er voor het eerst over publiceerde
in 1852. Tijdens boringen naar drinkwater
in de Jordaan was men op zo’n 40 meter
diepte op een dun laagje aardgas gestuit en
bij suikerraffinaderij Kooy op de Bloemgracht
was daardoor zelfs een metershoge
steekvlam ontstaan. Hoe dat laagje ontstond,
werd pas bijna anderhalve eeuw na
Harting, in januari 1995, in Ons Amsterdam
verklaard door Piet Cleveringa en
zijn RGD-collega’s Wim de Gans en Hein
de Wolf. De twee meter dikke laag (die de
kleilaag gemengd met zand uit het Eemien
onderbreekt) bestaat uit minuscule skeletjes
van diatomeeën: fossiele kiezelwieren.
De drie meter dikke kleilaag eronder bevatte
ooit veel afval van planten en dieren,
waaruit door rotting metaangas is
ontstaan. Dat heeft zich opgehoopt in de
loze ruimtes tussen de opgestapelde kiezelskeletjes.
Destijds in 1995 waarschuwden de
drie geologen al dat de Laag van Harting
bij de voorgenomen aanleg van de Noord-
Zuidlijn weleens problemen kon gaan geven.
Eén vonkje was genoeg om een kleine
ondergrondse ontploffing te veroorzaken,
met alle gevolgen van dien. Er ontstond
lichte paniek in de pers en de gemeentelijke
politiek, welke echter snel werd bezworen
door gemeentevoorlichters die meldden
dat de nieuwe metrolijn niet dieper kwam
te liggen dan zo’n 30 meter, ruim boven de
Hartinglaag.
Maar Cleveringa is er nog altijd niet
gerust op: “Die laag ligt niet overal op hetzelfde
niveau. En ze vergeten één essentieel
punt: de bovenlagen zitten vol scheuren en
hiaten. En gas wil altijd omhoog!” |
|
|
|