Tankers tellen en tipgevers bellen Opmerkelijk

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     December 06, 2013    
3394   0   0   0   0   0

Dossiers

Wat doet een Zuidafrikaans parlementsvoorzitster in Amsterdam? Andere Europese hoofdsteden moest de drukbezette dr. Frene Ginwala in oktober 1995 laten schieten, maar de Nederlandse hoofdstad liet zij zich niet ontgaan. Ze kwam er afscheid nemen van het Shipping Research Bureau, een instelling die op een unieke wijze had bijgedragen tot de omwenteling in haar land.

 

Vijftien jaar lang herbergde Amsterdam het Shipping Research Bureau, een onderzoeksbureau dat zich bewoog in de schimmige wereld van spoorloos verdwijnende olietankers, anonieme tipgevers en vervalste documenten. Met een internationaal symposium kwam er een eind aan het werk van dit bureautje, dat werd gevreesd door bedrijven en regeringen. De bijeenkomst vond plaats op 16 oktober 1995 in de Koningszaal van Artis, met de parlementsvoorzitster van Zuid-Afrika, dr. Frene Ginwala, als eregaste en belangrijkste spreker. Niet ver van Artis vandaan werd vijftien jaar eerder de stoot tot de oprichting gegeven. Samen met het Speciale Comité tegen de Apartheid van de Verenigde Naties organiseerden het Amsterdamse Komitee Zuidelijk Afrika (KZA) en de Utrechtse Werkgroep Kairos in maart 1980 het driedaagse ‘Internationaal seminar over een olie-embargo tegen Zuid-Afrika’ in het Amstel-hotel.

Olie-embargo vereist controle

Van het Amstel hotel naar de bescheiden Koningszaal: het contrast past bij het Shipping Research Bureau, dat zich kenmerkte door een curieuze mengeling van wereldfaam en onopvallend werken achter de schermen. Oud-Shell-topman G.A. Wagner, die vorig jaar in een radio-interview terugblikte op de kwestie Zuid-Afrika, wist het nog precies: dat was het bureau dat “de scheepjes telde”. Die scheepjes waren tankers die olie vervoerden naar het land van de apartheid.
De Nederlandse autoloze zondagen in 1973 waren van voorbijgaande aard. Tegen Zuid-Afrika werd het Arabische emargo echter gehandhaafd, en het leek zelfs sluitend te worden toen Zuid-Afrika’s redder in de nood, de sjah van Iran, eind 1978 het veld moest ruimen. Meer dan 90% van de olieaanvoer viel weg en een machtig wapen om de apartheid de genadeslag te geven leek binnen handbereik. Over eigen olie beschikte Zuid-Afrika immers niet. De Verenigde Naties begrepen dat controle op de naleving van zo’n embargo wel vereist was, en zo werd in 1980 besloten tot de oprichting van een onderzoeksbureau dat deze ‘waakhondfunctie’ zou gaan vervullen.
Nauwgezet zou het bureau de bewegingen van de wereldtankervloot volgen om bedrijven en landen op te sporen die het embargo ontdoken. Het KZA en Kairos, al actief in een campagne voor het embargo en tegen de Zuidafrikaanse activiteiten van Shell, gingen het nieuwe bureau besturen. Voor plaatsvervangend notaris Klein in Amsterdam werd op 11 juli 1980 de oprichtingsakte van de Stichting Shipping Research Bureau verleden. Precies twee weken eerder was het kabinet-Van Agt op een haar na gevallen over de kwestie van het olie-embargo.
De vele rapporten die het Shipping Research Bureau het licht zou doen zien, werden over de hele wereld gespeld: van ambtenaren in Noorwegen, journalisten in Hongkong, Australische activisten en Zwitserse zakenlui tot Londense advocaten en diplomaten bij de Verenigde Naties. En in Zuid-Afrika zelf, als het lukte ze in blanco enveloppen voorbij de censuur te loodsen. Door het regime waren ze bestempeld tot “ongewenste publikasie”. Trouwens, álles op oliegebied was staatsgeheim; op het openbaar maken van gegevens stonden boetes en gevangenisstraffen tot zeven jaar.
In het blanke Zuidafrikaanse parlement fulmineerde in 1983 F.W. de Klerk, de latere president en ooit zelf minister van energie, tegen de activiteiten van het “Amsterdam Shipping Bureau”, dat probeerde “schepen in de gaten te houden die rond de Kaap varen, om te bepalen welke hier olie brengen. Laten we de geheimhouding ook maar enigszins vieren, dan geeft dat onze vijanden de mogelijkheid om onze vrienden en partners te identificeren van wie we olie krijgen. Geheimhouding is van essentieel belang.

Zuid-Afrika kende geheim adres

De onderzoeker van het Shipping Research Bureau trok niet in bij moedercomité KZA in het overvolle pand Da Costastraat 88, waar van rustig werken weinig zou komen. Maar er waren meer redenen om een onbereikbare schuilplaats te kiezen. Sommigen wilden deze luis in de pels van de internationale oliehandel graag de mond snoeren. Eén methode was die van de verdachtmaking. Een Noorse reder, die in eigen land onder vuur kwam te liggen toen zijn schip in een rapport van het bureau werd genoemd, liet de pers weten dat het onderzoek werd “gefinancierd en gecontroleerd door Moskou”. Hádden we die roebels maar, verzuchtte de staf weleens. Jaarlijks werd een schamel inkomen bijeengeschraapt bij subsidiënten als de Novib, de Verenigde Naties, vele kerkelijke instellingen en een gering aantal keurige regeringen, zoals die van Zweden.
Anderen probeerden de geloofwaardigheid van het bureau aan te tasten het te betichten van politieke vooringenomenheid. Tot in de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties veroorzaakten de Amsterdamse rapporten commotie. De ene keer verweet Israël het bureau onvoldoende de beschuldigende vinger uit te steken naar de Arabische landen die hun eigen boycot aan hun laars lapten. Dan weer waren juist Arabische landen er niet van gediend dat hun naam te grabbel werd gegooid in publikaties van het (in Nederland gevestigde, ‘dus pro-Israëlische’) bureau. De rapporten toonden zonneklaar dat vrijwel alle olie die in de jaren tachtig Zuid-Afrika bereikte, uit het Midden-Oosten kwam.
Ook de arm van de Zuidafrikaanse geheime dienst reikte ver. In 1982 werd een bomaanslag op het Londense kantoor van de verzetsbeweging African National Congress (ANC) gepleegd. Frene Ginwala was daar destijds werkzaam. Ze ontsprong de dans, evenals de vertegenwoordigers van het Shipping Research Bureau die net voor een ontmoeting met het ANC hadden afgesproken in een Londens hotel. Ginwala vertelde op het symposium in Artis dat de daders werden gepakt, in het bezit van een lijstje met doelwitten. Daaronder ook “een kantoor tegenover het Centraal Station in Amsterdam”.
Nooit was bekendgemaakt dat de werkzaamheden van het bureau zich afspeelden in een dolhofachtig kantoorgebouw, uitkijkend op de Warmoesstraat, maar met zijn ingang op Prins Hendrikkade 48, schuin tegenover het station.
Buiten een kleine kring van ingewijden werd er niemand op het angstvallig geheimgehouden adres toegelaten. Journalisten (en zogenaamde journalisten), of iemand als die al te opdringerige Zuidafrikaanse ‘dienstweigeraar’ werden buiten de deur gehouden. De lobby van het Victoria-hotel was geschikter om zelfs de meest bonafide bezoeker te woord te staan. En nog kon het misgaan. In 1994, toen met de Zuidafrikaanse verkiezingen in zicht het Shipping Research Bureau zijn speurwerk al had gestaakt, kwamen er aanwijzingen voor de minder nobele bedoelingen van een voormalige vrijwilliger. De zaak van de ‘oud-papierman’ werd voorpaginanieuws en leidde tot kamervragen. Jarenlang had de man bij het bureau en bij een reeks andere organisaties oud papier opgehaald ten bate van het Augustinus College in Zuidoost.
Die school kon niet weten dat het papier eerst een particuliere beveiligingsfirma onder ogen kwam.
De staf van het Shipping Research Bureau had het nooit echt vertrouwd en gaf niet zomaar alles mee. Slechter liep het af met de in hetzelfde pand gevestigde organisatie van Europese parlementariërs voor Zuidelijk Afrika onder leiding van Jan Nico Scholten, olie-embargovoorvechter van het eerste uur. In een krant verscheen vertrouwelijke informatie die wel moest stammen uit de oudpapierdoos naast het faxapparaat vna de Association of West European Parliamentarians for Action against Apartheid, zoals de organisatie officieel heette.

Door Noorse tv aan boord gesmokkeld

Een novemberochtend in 1989. Op het eerste telefoontje van het Shipping Research Bureau had de Noorse tv-reporter het vliegtuig naar Amsterdam gepakt. Maar nu, op weg naar het westelijk havengebied, bekropen hem de zenuwen. Zijn door de wol geverfde Nederlandse cameraman nam de regie over: “Zeg gewoon dat je een Noor bent en de kapitein van de Höegh Foam wilt zien.” De slagboom bij de kade ging omhoog; vanaf de achterbank snorde de verborgen camera.
Buitenstaanders dachten dat de onderzoekers van het Shipping Research Bureau voortduren in de weer waren met verrekijkers in havens. In feite deden ze hun detectivewerk vooral zittend achter stapels computeruitdraaien en bellend met tipgevers. Dat laatste vereiste de nodige omzichtigheid. Wat het motief van de anonieme informant in dit geval ook was, zijn tip dat het Noorse schip in de Amerikahaven naar Zuid-Afrika zou gaan, leek betrouwbaar.
De kapitein leek zich nauwelijks af te vragen waarom de Noorse televisie hem nu juist in Amsterdam kwam interviewen over “ontwikkelingen in de Noorse scheepvaart”. De meegekomzen ‘assistent’, die al vijf jaar bij het bureau werkte maar nog nooit een voet aan boord van een tanker had gezet, zag snel de mogelijkheden van deze nieuwe onderzoeksmethode. Hij kon de reporter toefluisteren dat uit rondslingerende papieren zonneklaar bleek dat het schip net uit Zuid-Afrika kwam. Het interview kabbelde voort. De kapitein rook pas onraad toen hem werd gevraagd naar de komende reis van zijn eigen schip. Nee, hij had geen idee, orders kreeg hij pas buitengaats. “Maar een van uw bemanningsleden dacht dat het Zuid-Afrika was.” De camera stond nog niet stil of de kapitein sprong op: “Wie zie dat, van Zuid-Afrika? Ik wil Oslo bellen! U mag dat stuk niet uitzenden!”
Terwijl de Noren ruzieden en de cameraploeg de opnamen in veiligheid bracht, trok de assistent zich discreet terug in de koffiekamer voor de officieren. Daar lagen de begeerde, ongecensureerde positielijsten van de rederij! Een paar steelse blikken leverden genoeg munitie op voor een nieuwe publiciteitscampagne, die zou moeten leiden tot een aanscherping van de Noorse boycotwet.

Smetten op anti-apartheidsblazoen

Maar ook de rol van Amsterdam moest tegen het licht gehouden worden. Op 16 juni 1990 werd Nelson Mandela, nog maar kort een vrij man na 27 jaar gevangenschap, als een held ingehaald in Amsterdam. Hij verscheen met burgemeester Ed van Thijn op het balkon van de Stadsschouwburg, onkundig van het feit dat precies een uur daarvoor een Turkse tanker de Amsterdamse Usselinckxhaven had verlaten. De Obo Engin had 65.000 ton benzine geladen en was, zoals gebruikelijk zonder dat te melden, vertrokken naar Zuid-Afrika. Mandela wist evenmin dat precies op de dag van zijn vrijlating, 11 februari 1990, ook al een tanker in Amsterdam was aangekomen om benzine te laden voor Zuid-Afrika.
Van Thijn zou er minder vreemd van hebben opgekeken. Hij wist dat zijn stad, die zich zo trots afficheerde als anti-apartheidsgemeete, sinds 1989 een rol speelde waar zijn gast allerminst gelukkig mee was. Pas in 1993 zou Mandela de wereld laten weten dat, wat hem betrof, de internationale sanctiemaatregelen langzaamaan konden worden opgeheven.
In januari 1990 hadden het KZA en Kairos de gemeente in een brief gewezen op wat het Shipping Research Bureau, voor het eerst zo dicht bij huis, had ontdekt. De brief noemde twee schepen, maar of het daarbij zou blijven? Antwoord bleef uit en drie dagen na Mandela’s bezoek volgde een tweede brief; het bureau was inmiddels negen tankers uit Amsterdam op het spoor gekomen. Meestal gaven ze Gibraltar of Australië als bestemming op. “Volgens de statistiek worden vanuit Nederlandse havens voldoende olieprodukten naar Gibraltar vervoerd om de hele rots te doordrenken,” schimpte Vrij Nederland-redacteur Kees Schaepman.
De comités vonden dat Amsterdam bij de regering moest aandringen op een uitvoerverbod voor olieprodukten naar Zuid-Afrika; het beperkte Europese Gemeenschap-embargo dekte alleen ruwe olie.
Kees de Pater van het KZA, bestuurslid van het Shipping Research Bureau, lichtte de brieven op 16 oktober 1990 toe voor de gemeenteraadscommissie voor Algemene Zaken. Hij kijkt er met gemengde gevoelens op terug: “Vooral Van Thijn was aan het woord, in zijn rol van grote strijder tegen de apartheid. Hij zei dat elk bericht over wéér zo’n tanker uit Amsterdam hem ‘door merg en been’ ging. Hij mag best nuttige dingen hebben gedaan voor de Zuidafrikaanse zaak, maar zo gauw er economische belangen in het spel waren kwam hij alleen maar met formele tegenwerpingen. De gemeente ‘kon niets doen’, het was een zaak voor de regering. Hij was nog niet eens bereid om te laten onderzoeken hoe groot het probleem eigenlijk was. En de raadsleden zaten erbij als een bedremmeld klasje en slikten alles.”
Schelto Patijn, die Van Thijn zou opvolgen als burgemeester, had in 1983 een heel ander geluid laten horen. Het ontbreken van een bindendverklaring van het olie-embargo door de Veiligheidsraad of van overeenstemming binnen de Europese Gemeenschap werd te vaak aangegrepen als ‘juridisch’ argument tegen nationale stappen. Zo ook door minister Hans van den Broek. In de Tweede Kamer bestreed Patijn dat het onmogelijk was “zelf maatregelen te nemen. (…) De vraag of de Minister dat doet is niet een juridische vraag, maar het is een politieke vraag, namelijk of hij dat wel of niet wil.”

Geweldige bijdrage

De schepen uit Amsterdam vervoerden op de terugweg vaak Zuidafrikaanse kolen. Het Shipping Research Bureau kende enige tijd een ‘kolensectie’, die meewerkte aan een onderzoek in opdracht van Rotterdam en Amsterdam. Sommige EG-lidstaten verboden de import van kolen uit Zuid-Afrika en er werd gepoogd om ook in de Europese havensteden een boycotbeleid van de grond te krijgen.
Internationaal gezien bleef het olie-embargo van groter belang. De geschiedenis daarvan en het fascinerende verhaal over de ontduikers en hoe deze werden ontmaskerd, is door het Shipping Research Bureau vastgelegd in het boek Embargo, dat op het symposium in Artis werd gepresenteerd. Het voorwoord van Nelson Mandela onderstreept nog eens de rol van het Amsterdamse bureau in het bevorderen van het embargo, dat in zijn woorden “een geweldige bijdrage heeft geleverd aan het beëindigen van de apartheid”.

R. Hengeveld
Maart 1996

 

Powered by JReviews