Nummer 2: Februari 2001



- Bakermat van Hitweek en Uitkrant
- Keuken van 1870 in gevaar
- Schepen, hijskranen en appartementen
- Jan Klaassen blijft op de Dam
- 75 jaar Jan Evertsenstraat



Bakermat van Hitweek en Uitkrant

De Poortpers: een eigenzinnige drukkerij

Tekst: Willem de Ridder

Ruud Schoonman en Sven Augustin, twee sociaal bewogen maar ook erg praktische Amsterdamse studenten, begonnen in 1951 Poortpers, een drukkerijtje dat een proeftuin werd voor ingrijpende vernieuwingen op typografisch en journalistiek gebied. ‘Verhalenverteller’ Willem de Ridder, oprichter van Hitweek, was vaste klant. Een verslag van binnen uit.

Lang geleden woonde ik met Doortje in het dorpje Aerdenhout. Op een dag liep ik met haar boxer te wandelen toen ik een kennis tegenkwam die me schaterend vertelde over een belachelijk nieuw popblad dat Beatbox heette. Het was begin jaren zestig en ik was bij de nieuwste wereldwijde kunststroming betrokken die voor het eerst alle media op één hoop gooide en zich Fluxus noemde. Ik was voorzitter van de afdeling Noord-Europa, kortom ik was uitermate geïnteresseerd in alles wat belachelijk gevonden werd. Zoals Beatbox, dus.

Toen ik het eenmaal te pakken had, bladerde ik met grote ogen door het bizarre, klungelige tijdschriftje. Dit was geen popblad, het léék er alleen maar op. De maker plakte rustig het hoofd van Elvis op het lichaam van Roy Orbison, met het onderschrift dat het hier om een zeer exclusieve foto ging. Ik werd er meteen door gegrepen.

Een briljante slungel

Niet veel later ontdekte ik het Beatbox-drukkertje in de Staatsliedenbuurt van Amsterdam en vroeg hem naar de maker van dit moois. Hij heette Peter J. Muller en woonde vlakbij. Hij was het blad in 1965 begonnen, toen hij een jaar of zeventien was, en toen ik hem ontmoette bleek hij een lange, magere, briljante slungel, die meteen mijn hart stal. Even later besloten we te gaan samenwerken en was ik ineens redacteur van Beatbox geworden. Precies op tijd. Ik had net met Wim T. Schippers het geruchtmakende namaak-televisieprogramma Signalement geproduceerd, waarin we ons Holle landje confronteerden met pop-art, nouveau realisme, Zero, Fluxus, PK’s (Papieren Konstelaties, ofwel tot proppen verfrommelde kunstwerken) en Adynamische kunst. De kranten dachten natuurlijk dat het allemaal nep was. Een naam als ‘Warhol’ moest toch duidelijk door ons verzonnen zijn.

Kortom, ik was een naam in de kunst, had tentoongesteld in het Haags Gemeentemuseum en in Europa Fluxusconcerten gegeven, maar ik had mijn buik vol van die suffe elitewereld. Ik vond kunst een aflopende zaak voor een steeds kleinere incrowd. Hoog tijd om eruit te stappen. Tijd dus voor Beatbox.

De buurtdrukker, die voornamelijk visitekaartjes, kruideniersfolders en huwelijksaankondigingen drukte, werd al spoedig helemaal gek van ons. Toentertijd werd drukwerk nog met loden letters gemaakt en moesten foto’s in metalen rasterclichés worden omgezet. Wij wilden de meest belachelijke dingen doen die, volgens hem, in lood niet mogelijk waren. We hielden echter onze poot stijf en het blaadje werd steeds meer fluxus.

Ik duwde al mijn kunstkennissen trots ons steeds vreemder wordende tijdschriftje onder de neus en een van hen bladerde er schaterend doorheen en vertelde dat hij de stiefzoon van Willem Sandberg kende (toen directeur van het Stedelijk Museum), die samen met een studentenvriend een alternatief drukkerijtje was begonnen met een heel nieuw druksysteem. Die zouden zeker in het blad geïnteresseerd zijn. Hun zaakje bevond zich vlak bij het Concertgebouw in de Alexander Boersstraat 30, om de hoek van het Stedelijk Museum, waar ze ook veel drukwerk voor maakten. Ik belde er aan en ietwat nerveus wachtte ik vervolgens in een toch wel grote officiële showroom op een van de directeuren. Dit was geen drukkerijtje, maar een Echt Bedrijf.

Grootse plannen

Toen de deur openging, kwam er een joviale man binnen die zich als Ruud Schoonman voorstelde. Om indruk te maken verzon ik maar wat en begon over ‘grootse plannen’ voor een landelijke jongerenkrant. We hadden nu een eh... pilot-project dat Beatbox heette, maar de bedoeling was dat er een publicatie kwam waarin de nieuwe generatie niet opnieuw gemanipuleerd werd door gewetenloze zakenlieden, maar waarin ze zelf aan het woord konden komen. Dus ook geen redacteuren (Peter en ik hadden daar trouwens geen geld voor): iedereen moest alles kunnen schrijven en tekenen met de garantie dat het allemaal, zonder aanzien des persoons, geplaatst zou worden.

Terwijl ik maar wat zat te bluffen, bleken mijn woorden diepe indruk te maken. Ruud Schoonman vond het een revolutionair idee en omdat hij onlangs de eerste vierkleuren offset-rotatiepers van Nederland had gekocht, kon hij meteen gaan drukken.

“Kunnen we volgende week met jullie eerste nummer van die wekelijkse krant uitkomen?”

Ik viel bijna van mijn stoel. Wekelijkse krant???

“Eh... tja... natuurlijk... maar misschien moeten we eerst de lezers ervan op de hoogte stellen dat ze in deze nieuwe krant kunnen gaan schrijven.”

Ruud knikte en vroeg of we een eigen ontwerpstudio hadden.

“Nog niet... (zweet) we doen alles het liefste zelf in de drukkerij.”

Hij nam me meteen mee naar een grote ruimte waar twee mannen aan een bureau zaten. In de hoek stond een tekentafel. Daar kon ik meteen aan beginnen. “Hier is millimeterpapier en dit zijn allerlei lettersoorten die je op dat papier kan plakken. Wij werken niet meer met lood. Je kunt precies de pagina ontwerpen die je wil. Daar in de hoek liggen alle benodigdheden.”

Landelijke weekkrant

Even later zat ik de eerste voorpagina van een nieuwe krant te ontwerpen. Iets wat ik nog nooit gedaan had. Ruud vroeg nog hoe de krant zou gaan heten. Ter plaatse verzon ik de naam Hitweek. “Prima naam,” riep hij nog en vertrok.

Met geen woord had hij over geld gesproken. We hadden geen cent. We konden net ons drukkertje betalen. Schuchter vroeg ik aan een van de mannen of ik even mocht bellen. Toen ik Peter Muller aan de lijn kreeg, vertelde ik hem met een officiële zakenstem, dat we volgende week met een nieuwe landelijke weekkrant in offset zouden gaan uitkomen. Ik genoot van zijn verbijstering en vertelde hem achteloos dat hij meteen moest langskomen op ons hoofdkantoor. Een paar dagen later reed ik met Ruud Schoonman het hele land door. Achter in zijn auto lagen stapels voorpagina’s. Op de achterkant had ik in mijn mooiste handschrift geschreven dat deze krant er alleen maar zou komen, als jij er in zou gaan schrijven. Stuur je tekeningen, foto’s, verhalen. Anders is er geen krant.

Scheikundedoos

Medefirmant Sven Augustin zag ik eigenlijk nooit. Hij was het zakelijk brein van het bedrijf en zat in een achterkamertje te rekenen. Ruud Schoonman was de creatieve man, een visionair. Hem zag ik des te meer. Dagenlang reden we van stad naar stad, van beatclub naar jongerencentrum, overal pakken voorpagina’s dumpend, die door de mods en de rockers enthousiast werden ontvangen. Ruud vertelde me tijdens die expeditie dat hij oorspronkelijk uit Den Haag kwam, maar dat hij op zijn achtste naar Amsterdam verhuisde. Zijn ouders hadden daar een kruidenierswinkel. Zo’n krant als Hitweek had er eerder moeten zijn, dan had hij erin kunnen schrijven over zijn gescharrel op school, waar hij het met wat handige trucs net wist te redden. Ruud zat vol verhalen. Bij het behalen van zijn zwemdiploma kreeg hij de hoofdprijs: een scheikundedoos. Omdat hij in het kleedhokje te lang aan het worstelen was met een ingewikkeld vliegenierspak dat zijn moeder voor hem gemaakt had, pikte een andere jongen zijn prijs in. Weg doos!

Hij spaarde echter net zo lang tot hij zelf een andere kon kopen. Jarenlang is hij thuis met scheikunde bezig geweest. Hij kreeg er op school dan ook een 10 voor en in 1942 kwam hij op de universiteit in Delft terecht. Ineens woonde hij weer in Den Haag, bij zijn tante. In 1944 werd hij door de Duitsers (samen met haar) opgepakt, omdat hij naar de Engelse radio zat te luisteren en kwam in het concentratiekamp Amersfoort terecht. Niet veel later zat hij in de trein op transport naar Duitsland, maar bij Putten kon hij eruit springen en spoedig smokkelde hij zichzelf terug naar Amsterdam. Daar dook hij onder in een kwekerij, waar ook illegale stenguns lagen opgeslagen en deed mee aan het verzet in de Binnenlandse Strijdkrachten.

Hij keek me glimmend aan. “Ik was een fel mannetje en organiseerde al in 1942 een scholierenstaking. We gingen zingend op de fiets de straat op. Loe de Jong heeft er nog over geschreven.”

Folia Civitatis

Toen de oorlog afgelopen was ging Ruud terug naar Delft om ingenieur te worden, maar vlak voordat hij die titel zou krijgen is hij er van de ene dag op de andere mee opgehouden. Gewoon geen zin meer. Hij werd opstandig lid van de Nederlandse Vereniging voor Seksuele Hervorming, wat in die tijd een schande was, en werd zelfs een felle trotskist. Daarom besloot hij in Amsterdam naar de net opgerichte Politieke en Sociale Faculteit te gaan. Ook daar organiseerde hij met studiegenoten als Wim Klinkenberg en Geke Linker acties. Hij hielp bij het schrijven, drukken en colporteren van De Tribune en vond dat er een universiteitsblad moest komen. Karel Levisson verzon de naam Folia Civitatis en Ruud zette het eerste nummer in elkaar. Samen met Wim Klinkenberg waren ze de raddraaiers in de redactie en werden er dan ook na zes nummers uitgegooid. Ruud had echter de smaak te pakken. Studenten hadden in die tijd grote moeite om aan hun boeken te komen. Hoogleraren gaven vrolijk titels op die, behalve in de universiteitsbibliotheek, nergens te krijgen waren. Samen met medestudent Sven Augustin besloot hij ze collectief te bestellen. Dat liep als een trein, maar het duo ging nog verder. De titels waar ze niet meer aan konden komen, gingen ze zelf drukken. Er was namelijk net een goedkoop, nieuw druksysteem uitgevonden, dat ‘offset’ heette en Ruud was meteen enthousiast.

Revolutionaire grafische methoden

Bij diverse professoren bedelden ze wat geld bij elkaar om een offsetpersje te kopen en aldus ontstond de studentendrukkerij Poortpers (de Politieke en Sociale Faculteit huisde immers in de Oudemanhuispoort), waar dan ook voornamelijk studenten werkten. Ruud was zo begeesterd dat hij de verdere studie aan zijn laars lapte om zich helemaal aan het drukken te wijden. Een vetpot was het niet. Nadat de drukkers en de typistes waren betaald, bleef er voor de directie niet veel over. “Ik heb jaren met mijn vriendin Geke Linker samengehokt in een krot met wandluizen, zonder een cent. We waren niet getrouwd en dat vond mijn moeder zo’n schande dat ze me meteen onterfd heeft.”

Ik knikte begrijpend, want ook ik werkte al vele jaren aan uiteenlopende projecten zonder een cent inkomen. Alsof hij mijn gedachten kon raden, vertelde hij dat Willem Sandberg, de stiefvader van zijn compagnon Sven Augustin, veel door hem ontworpen catalogi voor het Stedelijk Museum bij de Poortpers liet drukken en dat er daardoor ook meer commerciële reclamefolders volgden. Ruud ontwikkelde revolutionaire grafische methoden voor tijdschriftenproductie die massaal aansloegen.

Hij vertelde hoe ze maar bleven groeien. Inmiddels heette de drukkerij Augustin & Schoonman en hadden ze een fabriek gebouwd in Zwanenburg waar de nieuwe vierkleuren offset-rotatiepers van Neu Strelitz uit Oost-Duitsland stond opgesteld. Zijn kinderen hadden de eerste steen gelegd. Van die pers rolde het eerste nummer van Hitweek dat 30 cent kostte (vier voor een gulden). De krant werd door heel wat tieners op straat verkocht en sloeg in als een bom. Ik kon zijn kantoren in de Alexander Boersstraat zoveel gebruiken als ik maar wilde. Er werd nooit over geld gesproken. Ik was ondertussen weg bij Doortje en naar de Wallen verhuisd. Ik was beroemd bij alle tieners maar had geen cent, terwijl ik steeds meer geïnterviewd werd en me rijk gedroeg. Alle kranten in Nederland werden nog in lood gedrukt en dankzij de geniale vondsten van Ruud kon ik kranten in elkaar zetten die met lood totaal onmogelijk waren. Dat baarde opzien. Dagbladen imiteerden onze vondsten op hun tienerpagina’s in Hitweek-stijl. Het was aandoenlijk om te zien hoe ze met lood onze vrije fotografische knip-en-plak-lay-out probeerden te evenaren.

De ‘Ruud-factor’

Ruud en ik hadden veel gemeen; beiden waren we echte verhalenvertellers. Ik zag met groeiende verbazing hoe hij naar grote bedrijven ging en ter plaatse ideeën spuide over een nieuw soort promoting. Daar kwamen dikwijls grote orders en vernieuwingen uit voort. Al zijn verhalen moesten met een korrel zout worden genomen. De ‘Ruud-factor’ heette dat in de wandelgangen. Toch werden vele van zijn vondsten gemeengoed, terwijl hij zich nooit bekommerde om copyrights of naamvermelding. Het kon hem gewoon niet schelen, hij was dan al weer druk met het volgende bezig.

Hitweek groeide zo snel, dat Peter en ik personeel moesten gaan aannemen. Ruud zou dat personeel gaan betalen. De vriendin van Wim de Bie, Marjolein Kuijsten (die in Den Haag nog met Kees en Wim een cabaretgroepje had), werd vaste medewerkster en kreeg betaald, terwijl wij geen cent hadden. Peter Muller hield dat niet lang vol en begon bij De Telegraaf een poprubriek. Later maakte hij nog verschillende bladen, zoals het ‘nationaal sex-vakblad’ Candy (dat hem miljoenen opleverde), de Story-imitatie Weekend en Aktueel (dat eerst Rits heette). En hoewel hij in 1981 zijn geld verspeelde met het Nederlandse tabloid De Dag, probeerde hij het tien jaar later nog eens met De Nieuwe, dat ook vol stond met absurd nieuws.

Na het vertrek van Peter stond ik er alleen voor. Na enige tijd vertrok de administratie van de drukkerij ook naar Zwanenburg en konden we het hele gebouw zomaar gebruiken. Over geld werd nog steeds niet gesproken. Marjolein en ik werden verliefd en gingen in het Hitweek-kantoor wonen.

Subversieve blaadjes

Alhoewel zijn bedrijf steeds commerciëler werd, kwam hij toch nog steeds aanzetten met subversieve blaadjes als Gandalf en drukte hij Braak van Lucebert. Met zijn oude studievriend Wim Klinkenberg begon hij in onze Hitweek-burelen een nieuwe culturele krant: 8 vanavond, nota bene in elkaar gezet door míjn oude studievriend Martin van Duynhoven. Die krant heet nu de Uitkrant (en wordt nog steeds door Martin vormgegeven). Ik begon ondertussen met Fantasio, Paradiso en andere projecten en we zagen elkaar steeds minder. Ik merkte wel dat hij door de fusie met drukkerij Faddegon steeds meer verpakkingen, speelkaarten, etiketten en kinderboeken drukten. Er kwam personeel dat hem met ‘U’ en ‘Meneer’ aansprak. Leuk vond hij dat niet. Het begon te veel in ‘werk’ te ontaarden. Hij kende alle 150 werknemers niet meer persoonlijk en dat irriteerde hem. Toen
het bedrijf moest verhuizen naar een grotere lokatie in Lelystad besloot Ruud niet mee te gaan.

Maar een tijd later vertelde hij me dat hij weer deed wat hij echt leuk vond. Voor grote bedrijven promotiecampagnes verzinnen en het drukwerk uitbesteden. Hij reisde de hele wereld over, leerde zelfs vliegen in een Chessna, omdat dat makkelijker was dan al die lijnvluchten en zette zusterbedrijven op in Brussel, Toronto, Parijs, Londen, Stockholm en Houston. Hij keek me weer glimmend aan en zei dat hij de kleinste multinational ter wereld was.

Astma

Er was nog iets wat we gemeen hadden, onze longen waren niet zo best. Maar terwijl ik vrijwel van mijn astma af ben, werd de zijne steeds intenser. Later werd het longemfyseem en ging hij speciaal voor zijn longen in Zuid-Frankrijk wonen. Daar belandde hij echter in de huisjeshandel, waardoor het geld weer binnenstroomde, maar zijn gezondheid zienderogen achteruit ging. Toen is hij in het bos bij Putten gaan wonen, waar hij zich uitleefde in tuinieren en het bouwen van een reusachtige camper. Ik heb die camper ter grootte van een touringcar bekeken. Alleen zijn slaapkamer was al een zaal. Hij vertelde dat hij naar Tsjecho-Slowakije, Hongarije, Duitsland, Zwitserland, Italië, Sicilië, Tunesië, Algerije, Marokko, Spanje, Frankrijk en België was geweest. Even een rondje gemaakt. Ik was diep onder de indruk, maar vond hem er slecht uitzien. Later hoorde ik dat hij behalve longemfyseem ook een nog totaal onbekende ingewandenziekte had. Internisten van het amc hebben zijn geval zelfs voorgelegd op een wereldconferentie van vakgenoten in Boston, maar niemand had ook maar enig idee. Ruud bleef ook daarin uniek. Inmiddels is hij van deze aarde vertrokken en inspireert ook in het hiernamaals waarschijnlijk velen met die onnavolgbare Ruud-factor.

W. de Ridder is verhalenverteller en spiegeloog.


Keuken van 1870 in gevaar

Verdwijnt de laatste Amsterdamse ‘gaarkeuken’?

Een Amsterdams ‘instituut’ verkeert in levensgevaar: De Keuken van 1870, ook bekend als de ‘gaarkeuken’ in de Spuistraat. Het bestuur wil De Keuken sluiten en het pand verkopen, omdat de hoognodige renovatie zes ton kost en het restaurant jaarlijks ƒ 50.000 te kort komt. Om een inderhaast gevormd redingscomité nog een kansje te geven, stelde het bestuur 11 januari de sluiting uit van 1 februari tot 1 april. Als er dán geen zes ton bij elkaar is, gaat de zaak echt dicht...

Op dinsdag 13 september 1870 ging de Volks-Gaarkeuken open op het adres waar zij nog steeds te vinden is: Spuistraat 4, een voormalige paardenstal, rond 1915 vervangen door het huidige pand. Het initiatief kwam van de Maatschappij tot Nut van het Algemeen. Bedoeling was Amsterdamse ambachtlieden een goedkope en voedzame maaltijd te geven, zodat zij in conditie bleven voor hun zware werk. In het eerste jaar werden 126.088 maaltijden van een dubbeltje verstrekt. Al snel werden dan ook méér gaarkeukens opgericht, onder meer in de Utrechtsedwarsstraat en de Pijlsteeg. Alleen de gaarkeuken in de Spuistraat bestaat nu nog, al werd de oude naam, die te veel aan armenzorg deed denken, na 1945 veranderd in Restaurant V.G.K. De huidige naam dateert van het eeuwfeest in 1970. De meeste bezoekers zijn alleenstaanden, vooral mannen. Het dagmenu (drie gangen!) kost nu ƒ 22,50. Specialiteit is de degelijke Hollandse pot, maar er zijn ook steeds andere gerechten te krijgen, zoals scholfilet met rijst, macaroni met gehakt en (“als de r in de maand zit”) gebakken mosselen. De bediening is hartelijk en razendsnel. Sommige serveersters blijven tientallen jaren in dienst.

Na de onheilstijding werd een actiecomité gevormd (inmiddels omgezet in een stichting) en een aanbevelingscomité, met o.a. oud-politicus Hans van Mierlo, ‘majoor’ Alida Bosshardt van het Leger des Heils, Toon Woltman van de Kamer van Koophandel en Adriaan Grandia, directeur van Hôtel de l’Europe.


Schepen, hijskranen en appartementen

111 jaar KNSM-eiland

Peter-Paul de Baar

In de knsm-laan, die tien jaar terug nog Surinamekade heette, staat sinds 1987 het Open Haven Museum, ooit de vertrekhal van de Koninklijke Nederlandsche Stoomboot-Maatschappij. Die vestigde zich in 1903 op dit ‘knsm-eiland’. Dat werd nu 111 jaar geleden als golfbreker aangelegd en is inmiddels omgevormd tot een levendige woonwijk. Een nieuwe vaste expositie toont sinds januari mooie beelden uit die geschiedenis van eiland en rederij.

In 1879 was het eerste deel van de Oostelijke Handelskade in gebruik genomen en die werd tot 1895 stevig uitgebreid. Maar de soms zware golfslag van het IJwater maakte het werk aan de kade niet steeds eenvoudig. Al in 1884 klaagden reders bij de gemeente dat bij oosten- en noordoostenwind de overslag van goederen aan de gade grote hinder ondervond. B&w sputterden lang tegen. Maar in 1890 besloot de gemeenteraad dan toch tot de bouw van een 1400 meter lange golfbreker ten noorden van en evenwijdig aan de Oostelijke Handelskade. In 1892 was die strekdam klaar. In 1896 besloot de raad om ten noorden van de golfbreker een nieuwe IJkade aan te leggen, ook wel de Nieuwe Handelskade genoemd. De kade werd aangelegd op bagger uit het in 1894-1897 uitgediepte Noordzeekanaal, geopend in 1876. De IJkade en de golfbreker gingen samen een nieuw eiland vormen, het IJ-eiland. Na verlenging van het westelijk deel had dit in 1904 ongeveer zijn huidige vorm bereikt. Het IJ-eiland was vanaf de Handelskade bereikbaar via de Verbindingsdam, tot de bouw waarvan de raad in mei 1898 besloot.

Het deel van het nieuwe eiland ten oosten van de Verbindingsdam werd in 1903 in gebruik genomen door de Koninklijke Nederlandsche Stoomboot-Maatschappij (knsm) uit 1856, die oospronkelijk haar laad- en losplaats had aan de Nieuwe Vaart tegenover de Oosterkerk. Eerst nam zij maar enkele terreinen in beslag (met onder meer de opzichterswoningen bij de Verbindingsdam), maar op den duur ging zij de hele oosthelft van het IJ-eiland gebruiken, dat daardoor in de volksmond knsm-eiland ging heten. De kade langs de noordkant van het knsm-eiland kreeg in 1914 de naam Surinamekade, de zuidkant Levantkade, naar belangrijke bestemmingen van de rederij. Er kwamen behalve kantoren ook zes kolossale loodsen, 1, 2 en 3 aan de Levantkade, 4, 5 en 6 aan de Surinamekade. Verder waren er kantoren, kantines, een veilinglokaal voor de fruithandel en tientallen kranen. Op het westelijk deel van het IJ-eiland, op de Javakade en de Sumatrakade, vestigden zich de firma Wm. Müller & Co., vertegenwoordiger voor Duitse rederijen die op Oost-Azië en Australië voeren, en (op de punt van dit ‘Java-eiland’) de Stoomvaart Maatschappij Nederland (smn).

De Roggebrood

De Koninklijke Nederlandsche Stoomboot-Maatschappij was op 31 oktober 1856 opgericht door de in Amsterdam wonende Duitse koffiehandelaar Christian Ramann, die al een stoomvaartdienst onderhield van Amsterdam naar het Duitse Harburg, bij Hamburg. Het statutaire doel van zijn nieuwe rederij was (de naam zegt het al) “de bevordering van de vaart door middel van stoomboten”. Aanvankelijk voer de knsm alleen op de Oostzeehavens, de Franse kunst en het Middellandse zeegebied. Na overname van een andere maatschappij in 1912, kwamen er nieuw bestemmingen bij: Midden-Amerika en de westkust van Zuid-Amerika. Lange tijd hield zij zich alleen bezig met vrachtbaar: ze vervoerde vooral koffie, tabak, cacao en hout.

In de volksmond heette de knsm ook wel ‘de Koninklijke Boot’ of ‘de Roggebrood’: dit waarschijnlijk naar aanleiding van de porties Duits die de matrozen met tegenzin moesten verorberen op hun reizen naar de Oostzee. Een andere theorie is dat de naam (die rijmt op Koninklijke Boot) verwijst naar de kleuren van de knsm-scheepschoorstenen: twee zwarte banen met een dunne witte baan ertussen, oftewel twee roggebroodsneden gescheiden door een laagje boter.

In 1930 beschikte de rederij over liefst 78 vrachtschepen en dertien passagiersschepen. In de jaren twintig was naast de vrachtvaart het toeristenvervoer steeds belangrijker geworden. Een gewichtig moment was de aanschaf in 1926 van het kolossale passagiersschip ‘Simon Bolivar’, dat helaas eind 1939 op een mijn liep en verging. Maar de crisis van de jaren dertig veroorzaakte een inzinking, en van 1944 tot 1946 dienden de knsm-loodsen als interneringskamp: eerst voor Nederlandse jongemannen die waren opgepakt voor de Arbeitseinsatz in Duitsland en na de bevrijding voor nsb’ers en andere collaborateurs. Na de Tweede Wereldoorlog werd de passagiersvaart nog belangrijker: in 1950 werden bijvoorbeeld twee vrachtschepen omgebouwd tot passagiersschip. Voor de passagiers der eerste klasse werd het meest rechtse deel van loods 6 in 1956 verbouwd tot luxe vertrekhal. In dat jaar werd het eeuwfeest groots gevierd. Het personeel schonk de directie een grote bronzen beeldengroep, gemaakt door Albert Termote, die de zeegodin Amphitrite voorstelt, rijdend op een paard en voorafgegaan door haar zoon Triton die op een klinkhoorn blaast. Het kunstwerk werd geplaatst in een vijver in het door tuinarchitecte Mien Ruys ontworpen parkje op het eiland; tegenwoordig staat het in het water naast de IJtunnelpier (bij wetenschapsmuseum Nemo), maar er zijn plannen het terug te verhuizen naar wat nu het Mien Ruysplantsoen heet.

Maar na het eeuwfeest trokken de donkere wolken zich samen. In 1963 fuseerden enkele grote rederijen tot de Nedlloyd, die na nog meer fusies Koninklijke Nedlloyd ging heten en zich concentreerde op Rotterdam. De knsm deed niet mee aan de fusies, maar slaagde er steeds slechter in de moordende comncurrentie vol te houden. Intussen was de gemeente Amsterdam druk bezig met de uitbreiding van het Westelijk Havengebied, waarheen steeds meer havenactiviteiten werden verplaatst.

Wonen op de kade

In 1977 verliet de knsm het naar haar vernoemde eiland én Amsterdam; in Rotterdam werden de activiteiten nog enige jaren voortgezet, tot het bedrijf in 1981 helemaal door de Nedlloyd werd opgeslokt. De knsm-directie verliet toen ook haar statige hoofdkantoor in het Scheepvaarthuis op de Prins Hendrikkade, dat zij in 1913-1916 samen met vier andere rederijen had laten bouwen door architect J.M. van der Mey, pionier van de Amsterdamse School. Ook bijna alle andere op de haven georiënteerde bedrijven verlieten in die jaren het Oostelijk Havengebied. Met ingang van 1 juni 1979 droeg de knsm haar terreinen op de Suriname en Levantkade over aan de gemeente. Al in 1975 had de gemeenteraad besloten dit gebied te bestemmen voor woningbouw, maar het duurde nog een dikke tien jaar van praten en ontwerpen voor met de woningbouw kon worden begonnen.

In de jaren tachtig lag het gebied er verlaten bij. De hoge kranen op de kades waren verdwenen; tussen de rails van de goederensporen groeide gras. Maar helemaal leeg bleven de terreinen toch niet. Krakers en ‘stadsnomaden’ (in woonwagens en de meest fantastische provisorische bouwsels) zochten er hun toevlucht. Door kraakacties wordt de sloop van een aantal karakteristieke havengebouwen verijdeld en bij nader inzien waren de later ingehuurde stedenbouwkundigen daar blij mee: dat al die yuppen zo graag hier appartementen willen kopen, is immers voor een stevig deel te danken aan het feit dat de romantische oude havensfeer nog niet helemáál verdwenen is.

In 1998 werden de laatste bouwprojecten opgeleverd: de zes? zogeheten stadsvilla’s die “als parels aan de kroon” gegroepeerd werden rond Emerald Empire het grote ronde gebouw op de kop van het knsm-eiland. Zowel dat gebouw als de villa’s werden ontworpen door de huidige rijksbouwmeester Jo Coenen, die ook (in 1989) het globale ‘masterplan’ voor de hele bebouwing van het eiland maakte. Andere gezichtbepalende projecten: het door de Berlijnse architecten Hans Kollhoff en Christian Rapp ontworpen woongebouw Piraeus dicht bij de Verbindingsdam,‘gedrapeerd’ rond een oud knsm-kantoorgebouw (1993); het Barcelonaplein, in neo-classistische stijl ontworpen door de Belg Bruno Albert, met ronde binnenhof en gigantisch sierhek (1993); en de hoge zwarte woontoren Skydome van Wiel Arets (1996). Alle complexen staan aan weerszijden van de brede en boomrijke knsm-laan.

Hoe grondig het eiland ook vernieuwd is, een aantal oude knsm-gebouwen bleven gehandhaafd. Zoals de knsm-kantine op hoge betonnen poten midden op het eiland. Een kantoorgebouw en opzichterswoningen dicht bij de Verbindingsdam. En de langgerekte loods 6 (na verbouwing in 1996 door bureau Vilanova in gebruik bij allerlei meubilerings- en design-bedrijven), met daarop aansluitend het huidige Open Haven Museum.

Dit was, zoals gezegd, voorheen de vertrekhal van de KNSM. Dat was het ook al vóór 1956, maar toen was het eigenlijk niet meer dan een sombere loods waar de passagiers in ieder geval niet in de regen hoefden te staan tot zij de boot opkonden. Scheepsarchitect Johan van Tienhoven kreeg de opdracht er een aangename en representatieve ruimte van te maken. Zijn ontwerp voor de eigenlijke wachtruimte op de eerste verdieping (vanwaaruit de passagiers op het moment suprême over een loopplank het hoge scheepsdek bereikten) lijkt sprekend op de lounge van het grote passagiersschip ‘Oranje Nassau’ (1957), ook door Van Tienhoven ontworpen. De betonnen zuilen in de zaal bekleedde hij met groene mozaieksteentjes, de vloer werd ingelegd met een artistiek kompas-patroon. Daaraan ontleende deze ruimte de naam Kompaszaal. Van Tienhoven maakte twee statige trappen van de vestibule naar de Kompaszaal. Bekende sierkunstenaars uit de jaren vijftig zorgen voor de finishing touch: In de zaal maakte Cuno van den Steene een grote wandschildering en Lex Horn een kolossale glaswand met veel bootjes erop gezandstraald. Voor de vestibule ontwierp Dick ten Hoedt twee grote mozaieken. Op de stoep werden twee grote stenen leeuwen geplaatst, gemaakt door stadsarchitect Hildo Krop.

In 1987 werd de verlaten vertrekhal gekraakt door jongeren die er de herinnering aan het havenverleden levend wilden houden. Ze vestigden hier het Open Haven Museum. Na enig geharrewar is dat museum een paar jaar geprofessionaliseerd en verzakelijkt, met alle voor en nadelen vandien. Het personeel wordt nu betaald en het museum heeft zijn charmante rommeligheid uit de beginjaren grotendeels verloren. En van het oude sociaal elan lijkt ook wat weggeëbd. Aan de arbeidsomstandigheden en de sociale strijd in de haven worden in de nieuwe vaste expositie weinig woorden (en beelden) meer vuilgemaakt, en evenmin aan de kleurijke episode van de stadsnomaden. De verdwenen glamour van de KNSM krijgt nu wél veel aandacht. De nieuwe vaste expositie is glad en netjes vormgegeven. Geen quasi-vergeten hutkoffers en scheepskabels meer, maar nette vitrines en affiches achter glas.

Een paar bescheiden panelen bij de ingang van het Open Haven Museum vatten de eiland-geschiedenis bondig samen, in plattegrondjes en foto’s. De geschiedenis van ‘de Koninklijke’ wordt uitgebreider getoond: in de vorm van fraaie of in ieder geval zeer typerende affiches, scheepsmodellen en de meest uiteenlopende voorwerpen met het KNSM-logo: sigarettenkokers, rekenmachientjes, lepeltjes, serviesgoed, liniaals, wijnglazen en asbakken, om maar een kleine greep te doen. Speciale aandacht wordt besteed aan het fenomeen lichtschip, een hobby van directeur Philip Kraan, die binnenkort zijn eigen lichtschip ‘Zeeburg’ achter het museum wil afmeren.

Eigenlijk zouden alle nieuwe bewoners van het knsm-eiland onmiddelijk na het in ontvangst nemen van hun sleutels even een bezoek moeten brengen aan het Open Haven Museum...

Literatuur:

Ton Heijdra, Kadraaiers en zeekastelen. Een geschiedenis van het Oostelijk Havengebied. Amsterdam 1993.

Edwin van Onna, Het Open Haven Museum: inrichting en decoratie van de voormalige passagiershal der KNSM. Amsterdam z.j.

Aad Schol, Koninklijke Nederlandsche Stoomboot-Maatschappij. Alkmaar 1998.

Alfred Bakker,‘Vorm en bouw van het oostelijk havengebied’, in Ons Amsterdam april 1994.


Jan Klaassen blijft op de Dam

Oude traditie is gered

Tekst: Peter-Paul de Baar

De Dam heeft sinds de afgelopen zomer een nieuwe poppenkastspeler: Misha Kluft (22). Zijn moegestreden voorganger Wim Kerkhove (46) houdt er nu ‘definitief’ mee op: eind januari sloot hij ook zijn oude binnen-theatertje Pantijn in de Sint Pieterspoortsteeg. Kluft, een typische straatartiest, wil hem daar niet opvolgen: te benauwd, zo’n zaaltje. Maar gelukkig komt er voorlopig geen eind aan de traditie van voorstellingen op Amsterdams belangrijkste plein, waarvoor naar verluidt Antoon van Hemert in 1886 als eerste officieel vergunning kreeg.

Dat laatste staat althans te lezen in het standaardwerk van Wim Meilink, Het doopceel van Jan Claeszen uit 1969. Maar waar hij die wijsheid vandaan heeft, vermeldt hij niet en niemand kan het hem meer vragen, want hij overleed kort nadat het boek uitkwam. Maar hij zal wel een bron gehad hebben, want in zijn boek slikt hij weinig overleveringen voor zoete koek. Zo laat hij weinig over van de theorieën dat Jan Klaassen écht bestaan heeft. Terecht wijst hij erop dat het verhaal dat Jan (zoals Rob de Nijs nog in de jaren zeventig zong) rond 1650 “trompetter was in het leger van de prins”, stadhouder Willem II, voor het eerst opdook in een roman uit 1801. En ook maakt hij korte metten met de ontdekking van Jan ter Gouw uit 1874 dat in 1706 de kerkeraad van de Nieuwe Kerk ene Jan Claassen en zijn alcoholische vrouw Catrijn Pieters uit de Jordaan ontbood om over hun rumoerige huwelijkstwisten te praten. Dat dit echtpaar iets met poppenkast te maken had blijkt nergens uit. En er liepen door Amsterdam honderden, zo niet duizenden Katrijnen rond, en Jannen met een vader die Klaas heette. De hedendaagse onderzoekers gaan er van uit dat, net als elders, het Nederlandse poppenkastspel is geïnspireerd door de Italiaanse commedia del’arte: improvisatie-toneel rond vaste karakters, en dan vooral de figuur van Pulcinella. Dat betekent letterlijk ‘kuikentje’. Het was een boers type met een snavelachtig masker, een hanige tred en een schetterende stem die aan vogelgeluiden deed denken. Onder de naam Polichinelle dook hij eind 17de eeuw ook op in het Franse poppenspel, met een kolossale kromme neus en vooruitstekende kin. En zo maakte hij een internationale zegetocht. In Engeland herkennen we hem in Mr. Punch, in Duitsland ging hij Kasper heten en in Nederland Jan Klaassen, waarschijnlijk juist omdat duízenden ‘volksjongens’ zo heten. Wanneer Jan voor het eerst onder die naam in een Nederlandse poppenkast opdook, is onbekend, maar het zal ergens in de 18de eeuw zijn geweest: het eerste schriftelijk bewijs dateert uit 1801, toen A. Fokke Simonsz hem noemde in een beschrijving van de Amsterdamse kermis.

Kerremiskindje uit de Duvelshoek

Op allerlei plekken in 19de-eeuws Amsterdam dook de poppenkast op, net als later het draaiorgel. En natuurlijk ook op het belangrijkste plein: de Dam. Aanvankelijk waren die vertoningen nog niet van hogerhand gereguleerd. Toen de gemeente zich er wél mee ging bemoeien, kregen spelers geleidelijk een vaste standplaats. Voor Antoon A. van Hemert (1863-?) werd dat de Dam. In 1888 associeerde hij zich met zijn zwager Janus Cabalt, wiens Italiaanse voorouders volgens hemzelf Cabalzi heetten. Om commerciële reden (het klonk exotischer) noemde Cabalt zijn poppenkast dan ook Theatro Cabalzi. Recent onderzoek leert dat de naam van Cabalts voorzaten eigenlijk Capaldi was – maar dat Cabalt dat niet meer precies wist is heel begrijpelijk. De Capaldi’s kwamen immers al eind 18de eeuw naar Amsterdam en vernederlandsten hun naam al snel. En bovendien waren de Cabalts tot omstreeks 1900 merendeels analfabeet: dat gold ook nog voor Janus. In 1923 zei hij tegen journaliste Emmy Belinfante: “Ik kan niet lese en niet schrijve, maar wel prate, hoor! En allemaal fantesie!”

De hele famile Cabalt, waarvan de leden zelf hun naam vaak als Kabalt spelden, woonde in de Duvelshoek, een rommelig buurtje van stegen en zijstegen tussen de Reguliersbreestraat en Reguliersdwarsstraat, dat rond 1920 grotendeels verdween voor de bouw van bioscoop Tuschinski. Op een foto uit 1911 staat op zijn kast “J.A. Kabalt, St. Pieterssteeg 30”. Van die steeg is nog een klein stukje over, achter het huidige internet-café EasyEverything, waar vroeger de hema stond. Later verhuisde hij naar de Jordaan, eerst Rozenstraat 82, ten slotte Konijnenstraat 3.

De zwagers hadden beiden hun eigen kast en eigen poppen. Van Hemert speelde op de oneven dagen, Cabalt op de even. Zij hadden eerder op kermissen (zoals die op het Rembrandtplein) gewerkt, ook met marionetten. Maar natuurlijk was er niets mooier dan spelen op de Dam.

In het al genoemde interview uit 1931 onthulde Cabalt: “Ik bin van ’t jaar ’69. Ik wor 54 en bin de 20ste September gebore. Ik bin ’n Amsterdammer van geboorte en een kerremiskindje. (...) Of ik altijd op de Dam heb gestaan? O nee, hoor! Me eerste standplaats was feitelijk in de Duvelshoek. Daar bin ik gebore en getoge. Maar – (een breed handgebaar) al bin ik daar gebore, ik kan me toch in alle geselskappe gedrage. De etekette, siet u, die heb ik geleerd bij de rijkelui, want ik heb gespeeld voor de fijnste en rijkste mensen dieje d’r bestaan.” Naar eigen zeggen begon Cabalt op veertienjarige leeftijd (in 1883) als hulpje van zijn vader, die ook een poppenkast had. Vier jaar later begon hij “voor z’n eigen”. Op de Dam stonden zijn vader en hij eerst op de zogeheten Vijgendam, het deel van het plein waar nu het Nationaal Monument staat. Maar toen in 1914 het oude monument pal voor het paleis verdween, greep hij zijn kans: “Toen ‘Naatje’ van de Dam ging, dacht ik: ‘Cabalt, nou ga jij gauw op haar plaats staan!” Het was een zwaar beroep vertelde hij in 1928 aan het Algemeen Handelsblad: “Prebeer ’t maar es, van 10 tot 6 op de Dam te staan met arreme in de lucht en je kop naar bofe, je houdt ’t geen uur uit, dat seg ik je!”

In Cabalts poppenkast ging het er ruig aan toe, als Jan Klaassen weer eens mot had met zijn kijvende vrouw Katrijn, met de huisbaas, de agent of de Dood van Pierlala. “Siet u wel,” zei Cabalt in 1931 tegen Belinfante, “siet u, hoe se wang aan één kant plat is. Da’s van alle klappe en meppe die die krijg.”

Over de spraakzame Cabalt is veel meer geschreven dan over Van Hemert. Die was kennelijk buiten de kast een man van weinig woorden. De foto’s laten zien dat hij een grote boerse man was, die zich steeds liet vereeuwigen samen met zijn al even imposante vrouw. Bij hun act hoorde ook het aapje Jimmy. Op Van Hemerts 65ste verjaardag in december 1928 en bij het gouden jubileum van zijn speelvergunning voor de Dam werden Antoon en zijn vrouw groots gehuldigd.

Catootje verdringt Katrijn

Volgens sommigen hield Van Hemert er eind jaren dertig mee op, maar er is nog een Dam-foto uit 1941 waarop zijn poppenkast te zien is. Cabalt was al in 1935 overleden. Diens plaats werd ingenomen door Appie Roebersen, getrouwd met een dochter van Cabalt. Tijdens de oorlog speelde ook een ander familielid van Cabalt, F. Valk, nu en dan op de Dam; verder is vrijwel niets te achterhalen over poppenkastvertoningen op de Dam tijdens de Duitse bezetting en hoe de bezetters daar tegenover stonden.

In 1948, tijdens de feesten ter gelegenheid van de inhuldiging van koningin Juliana, nam de jonge Daan (officieel Dirk) Kersbergen de fakkel van Roebersen over. Kersbergen was weer de zoon van een ándere Cabalt-dochter. Daan en zijn vrouw Coby erfden Cabalts poppenkast, maar niet zijn poppen: dat zou heiligschennis zijn geweest. Cabalts marionetten (waarmee hij voor de rijkelui wat ‘verfijnder’ voorstellingen gaf), kwamen terecht in het Theatermuseum op de Herengracht; zijn door alle meppen versleten handpoppen worden bewaard in het Amsterdams Historisch Museum.

Daan en Coby Kersbergen vertoonden sinds 1958 in het Teatro Cabalzi naast het traditionele Jan Klaasen-verhaal ook een marionettenprogramma, gebaseerd op eigentijdse liedjes, zoals Sonnevelds ‘In ben met Catootje naar de Botermarkt gegaan’ en het repertoire van Dorus (Tom Manders). Want Jan Klaassen was niet meer in de mode, stelde Kersbergen mismoedig vast. Dat kwam door de bioscoop en de televisie. “Ik zou zelf ook liever het oude Jan Klaassen-spel vertonen,” zei hij in 1967 tegen Wim Meilink, “maar het gaat echt niet meer.” Toch hield hij er nooit helemaal mee op.

De terugkeer van Jan Klaassen

In 1981 maakte Wim Kerkhove, die tot vorig jaar met zijn poppenkast op de Dam stond, kennis met Kersbergen. Kerkhove deed toen zelf al een paar jaar aan poppenspel, in een piepklein theatertje thuis in de Vechtstraat en op zonnige dagen in het Vondelpark, samen met zijn compaan Klaas Bakker. Zij hadden een heel andere achtergrond dan Cabalt, Van Hemert en hun nazaten.

Kerkhove was in 1976 docent dramatische expressie op Academie Middeloo in Amersfoort (voor creatieve therapie) en maakte daar ook kennis met het poppenspel. Hij had geen zin om therapeut te worden, maar dat poppenkastspelen, ja dát was het wel. Kerkhove (nu 46): “Het was heel bevrijdend! Ik kon dingen zeggen die ik als gewoon mens niet zomaar durfde te zeggen!” Hij verhuisde naar Amsterdam, met enige aarzeling: “Toen ik voor het eerst in Amsterdam was, vond ik het vreselijk al die drukte, al die herrie! Maar het wende gauw.”

Zijn metgezel Klaas Bakker kwam van het conservatorium, en wilde iets voor kinderen doen, poppenkast of zo – met muziek van zijn lievelingscomponist Bartók. Hij plaatste een advertentie voor een poppenspeler en Kerkhove reageerde. Zij richtten in 1978 samen Muziekpoppentheater Pantijn op, genoemd naar ‘pantin’, het Franse woord voor marionet - ook al speelden ze liever met handpoppen dan met poppen aan touwtjes. Aanvankelijk speelde Bakker op een mini-piano sonates bij de voorstellingen, maar dat beviel niet echt. Toen kocht hij een accordeon, die uitstekend paste bij het uitbundige karakter van de poppenkast. Ze traden ermee op in het Vondelpark en op de Albert Cuyp. Het was meestal poppenkast met een boodschap: Jan Klaassen, altijd al een rebels personage, trok van leer tegen de huisjesmelkers maar ook tegen de neutronenbom, hét issue van die jaren.

In 1981 kreeg Kerkhove een bevreemdend telefoontje van een stadhuisambtenaar: toch wel jammer dat er zo de klad zat in die Dam-poppenkast, die meneer Kersbergen deed er weinig meer aan; zouden zíj als enthousiaste jongeren niet de nieuwe bespelers van deze prachtlokatie willen worden? Ze waren hem aanbevolen door de beroemde marionettenspeler Feike Boschma, die Pantijn had gezien en enthousiast was geworden. Met Kersbergen zelf was er nog niet over gepraat, nee, gaf de ambtenaar toe. Kerkhove en Bakker hadden aan broodroof geen behoefte en zochten dus zelf contact met Kersbergen, die ze dankbaar was. Hij wilde de Dam niet kwijt, maar kon het zich niet permitteren daar nog vaak te spelen. Vooral in winkelcentra verdiende hij veel méér. Hij vond het prima als hijzelf en Pantijn beurtelings op de Dam zouden spelen. Het kwam er niet meer van. Kersbergen werd ernstig ziek en speelde nog vrijwel uitsluitend in een peuterspeelzaal in Lelystad, waar hij vanuit de Amsterdamse Bestevaerstraat heen verhuisd was. Zijn heimwee sprak uit de afbeelding op het achterdoek van zijn Lelystadse kast: het paleis op de Dam! Hooguit twee of drie keer speelde Kersbergen dat seizoen nog op de Dam; Dat seizoen speelde alleen Pantijn op de Dam. Het volgend jaar namen zij officieel Kersbergens vergunning over. Daan Kersbergen overleed in februari 1983.

Pantijn bouwde voort op de oude personages en verhaallijnen, maar schuwde verwijzingen naar de moderne tijd allesbehalve. Nieuwe personages waren bijvoorbeeld Jans Klaassens punk-zoontje Jantje-de-kraker en Jans Turkse neef Karagöz, oorspronkelijk een karakter uit het traditionele Turkse schimmenspel. Diens introductie was mede het gevolg van Pantijns gretige belangstelling voor de internationale traditie van het ‘volkspoppenspel’. Op advies van de regisseurs Henk Tjon en Rufus Collins (van toneelgroep De Nieuw Amsterdam) liet Kerkhove zich voor de stem en motoriek van iedere poppenkastfiguur inspireren door een bepaald dier: Jan Klaassen liet hij lijken op een papagaai, Katrijn op een kip, de agent op een aap, de dokter op een slang en de generaal op een hond. Het effect was geweldig. Na een aantal jaren wilde Bakker toch weer meer de klassieke kant op en viel het duo uiteen. Kerkhove moest noodgedwongen muziekbandjes gaan gebruiken.

Vuurdoop tussen hooligans

In november 1997 ging een oude droom in vervulling: in Sint Pieterspoortsteeg 33 bij de Nes kon Kerkhove na veel geharrewar in een voormalige slagerij het intieme overdekte poppentheater Pantijn openen, waar ook bij rotweer voor groepen kon worden opgetreden. Maar een jaar later trokken donkere wolken zich samen. De gemeente wilde de subsidie drastisch verminderen als Kerkhove niet, in het kader van de cultuurspreiding, de hele stad door wilde trekken. Maar de poppenkast hoorde toch echt op de Dam, vond Kerkhove. Uiteindelijk loste de Bankgiroloterij het probleem op door zich als sponsor aan te bieden. De poppenkast op de Dam was gered, maar Kerkhove had er eigenlijk langzaamaan tabak van. “Dat kwam ook doordat mijn beste vriend Bart, met wie ik dit theaterje had ingericht, in 1999 overleed. Dat hele jaar heb ik dóórgespeeld, maar het ouwe gevoel kwam niet meer terug. Maar ja, ik voelde me ook verantwoordelijk voor het erfgoed. Ik had in de loop der jaren wel geprobeerd leerlingen op te leiden, maar het ontbrak ze steeds aan de nodige discipline. Op de valreep kreeg ik een ingeving: sinds de jaren tachtig kende ik een prima poppenspeelster uit Haarlem, Els Zwart. Die had er een klein, smaakvol poppentheater, kunstzinnige voorstellingen zónder Jan Klaassen en Katrijn. Haar zoon Misha heb ik zien opgroeien. Een apart joch. Lang haar, wierookstokjes branden op zijn kamertje. Aan dat artistieke poppentheaterwereldje van Haarlem had hij een hekel. Maar als kleuter speelde hij met een schepje en een latje al Jan Klaassen en de dood van Pierlala. Een natuurtalent. Maar inmiddels was hij biologische boer geworden in Warmenhuizen. Ik belde Misha: ‘Jíj moet de nieuwe poppenspeler van de Dam worden!’ En hij zei bijna meteen ja. Want als ik het niet doe, zei hij, krijg ik later spijt. Ik ben meteen naar Warmenhuizen gereden en heb hem als de sodemieter bij die boer vandaan gehaald. Heb hem een spoedcursus van twee weken gegeven en toen kon hij de Dam op. En hij deed het prima! Af en toe kwam ik kijken en gaf nog wat tips; samen hebben we nog wat verhaallijnen ontwikkeld. Maar ik laat het met een gerust hart aan hem over! Eén ding is alleen jammer: in mijn binnen-theaterje had hij geen zin. Dat vindt hij te benauwd; hij is een echte straatartiest. Dus Theater Pantijn in de Pieterspoortsteeg houdt eind jnauari op te bestaan...”

Misha Kluft (22) heeft er zin in. “Heerlijk zo midden in de stad! Improviseren, daar hou ik van. Ach ja, van de zomer tussen de voetbalhooligans was wel even een vuurdoop. Maar die heb ik doorstaan. Nee, rijk zal ik er niet van worden. Maar genieten zal ik wel. En het publiek ook, hoop ik!”

Literatuur en bronnen

Wim Meilink, Doopceel van Jan Claeszen. Kroniek van het traditionele poppenspel in Nederland. 1969.

Jan Wagener, ‘De Dam, Jan Klaassen en Katrijn’, in: Ons Amsterdam, 1980, blz. 194.

Hetty Paerl, Jan Klaassen is in ’t land. 1985.

Jaarverslagen Pantijn, 1985-1987.


75 jaar Jan Evertsenstraat

De kransslagader van West

Tekst: Erik Mattie

Wie al winkelend door de Jan Evertsenstraat kuiert, zal zich niet direct realiseren dat deze licht verloederde koopgoot ooit één van Amsterdams hoofdstraten was. De verloedering heeft gelukkig het omslagpunt bereikt en de nu 75-jarige straat krijgt langzaamaan haar oude allure terug. De eerste ‘droge’ winkelstraat van Amsterdam en waarschijnlijk ook van Nederland, is vrijwel in z’n geheel genomineerd voor de rijksmonumentenlijst.

In het huidige tijdsgewricht van winkelcentra, koopzondagen en fun shoppen lijkt de overkapping van het winkelgedeelte van de straat een vanzelfsprekendheid, maar in 1925 was dit idee nieuw en nadrukkelijk bedoeld om de winkelstraat meer cachet te geven.

De Jan Evertsenstraat was de belangrijkste winkelstraat binnen het zogeheten Plan-West. Dit Plan-heeft nooit dezelfde aandacht gekregen als het veel beroemdere uitbreidingsPlan-voor Amsterdam-Zuid, waarvoor H.P. Berlage (1856-1934) in 1917 de plattegrond ontwierp. De bebouwing van Plan-West en Plan-Zuid kwam grotendeels tot stand in dezelfde periode. Samen met de tuinsteden in Noord en andere, kleinere gebieden vormen zij om Amsterdam een grote ring: de Gordel ’20-’40. Het onbekende Plan-West, dat het gebied beslaat tussen Postjesweg, Admiralengracht, Erasmusgracht en Orteliuskade, is ontegenzeggelijk van bijzonder hoge kwaliteit. Hoewel het stedenbouwkundig ontwerp de subtiliteiten mist van Plan-Zuid, waart de geest van Berlage ook krachtig door de westelijke stadsuitbreiding. Niet vreemd, als men bedenkt dat het stedenbouwkundig Plan-is ontworpen door J. Gratama, G. Versteeg en A.R. Hulshoff. Eerstgenoemde twee architecten hadden namelijk al onder supervisie van Berlage de Transvaalbuurt in Oost voor hun rekening genomen. Dit driemanschap was bovendien verantwoordelijk voor de silhouetten van straten en pleinen, veelal gedomineerd door torenachtige uitbouwen. Een twaalftal zorgvuldig geselecteerde architecten ontwierp de gevels, zonder uitzondering in de stijl van de Amsterdamse School. Berlages architectonische en stedenbouwkundige visie, voor het eerst ten volle ontwikkeld in Plan-Zuid, bestond er onder andere uit dat de straatwand een samenhangend geheel moest vormen, waarbij de individuele woning ondergeschikt was aan het groter ruimtelijk geheel. Dit principe is ook in Plan-West en de Jan Evertsenstraat doorgevoerd. Ontwerpen die niet voldeden aan de eisen of te sterk afweken van de naastliggende gevel werden zonder veel omhaal door de schoonheidscommissie afgekeurd. De architecten die de Jan Evertsenstraat kregen toegewezen, hadden op grond van hun bekendheid en staat van dienst echter weinig te duchten van deze strenge examinatoren.

6000 woningen

De supervisie en de welstandstoetsing waren een zaak van algemeen belang en werden dus ondergebracht bij de gemeentelijke instellingen, maar het initiatief tot de nieuwe stadsuitbreiding was een particuliere aangelegenheid. Het was de bouwondernemer Heere van der Schaar (1882-1970) die in 1922 met het plan kwam in West 6000 woningen te bouwen, evenveel als er in heel Breda stonden. Aangezien hij het voorstel indiende namens twee bouwmaatschappijen, beloofde om veel werklozen voor het project aan te nemen, én de grootmeester van de architectuur Berlage wilde inschakelen, steunden b&w het uitbreidingsplan. Van der Schaar bouwde niet alle woningen, maar toevallig wel de meeste in de Jan Evertsenstraat.

Plan-West is niet ontwikkeld vanaf de oude stadsrand, maar vanuit de kern: het Mercatorplein, waar de Jan Evertsenstraat de Hoofdweg kruist. De Hoofdweg is de belangrijkste noord-zuid verkeersroute in Plan-West, dus het is geen toeval dat de kruising met de Jan Evertsenstraat tot een monumentaal plein is uitgewerkt. Het Mercatorplein moest, net als het Rembrandtplein in de oude stad, het kloppend hart worden van Plan-West, met de Jan Evertsenstraat als kransslagader. Deze belangrijke functie werd benadrukt door de twee dominante torens aan het plein, waarvan de noordelijke onlangs is herbouwd. De herbouwde toren is vanaf de Jan Evertsenstraat een duidelijk oriëntatiepunt en schept verwachtingen voor het verkeer dat westwaarts reist. Verwachtingen die door het schitterende plein geheel worden ingelost. Andersom, richting de oude stad ontbreekt zo een sterk oriëntatiepunt.

Gerenommeerde architecten

Het Mercatorplein met de hoeken op de Jan Evertsenstraat is zoals bekend ontworpen door Berlage zelf. De Jan Evertsenstraat tussen Mercatorplein en de Witte de Withstraat is ontworpen door de gerenommeerde architecten J.F. Staal (1879-1940) en J.M. van der Mey (1878-1949), die zijn deel ontwierp voor het architectenbureau van Gulden & Geldmaker. Het laatste stuk voorbij het Mercatorplein, ontworpen door C.J. Blaauw (1885-1947), heeft een ander karakter en blijft hier verder buiten beschouwing.

De drie architecten kweten zich elk op eigen wijze van hun eervolle taak, waarbij zij als uitgangspunt dienden te nemen dat de straatwand een architectonische en stedenbouwkundige eenheid moest vormen. Het is veelzeggend dat geen van de architecten een heel bouwblok ontwierp, maar alleen de zijden van het bouwblok die aan één straat gelegen waren. Van der Mey en Staal deden de straatwanden, Berlage nam de overgang naar de pleinwand als uitgangspunt.

De bebouwing tussen de Admiralengracht en de oude stad: J.M. Van der Mey, 1926. Jan Evertsenstraat 20-46, 9-41, Krommertstraat 2-4, 1-5, Admiralengracht 170-188, Cornelisz Dirckszstraat 2-4.

Van der Mey ontwierp het eerste stuk van de nieuwe straat in aansluiting op de ‘oude’ stad, waar het straatbeeld werd gedomineerd door nogal traditionele bouwblokken van rond 1910. Hij paste daarbij twee ingenieuze kunstgrepen toe die de straat meteen een hoog decorum verschaften. Hij liet ten eerste vrijwel direct de rooilijn terugwijken waardoor de Jan Evertsenstraat meteen aan het begin veel breder werd en een boulevardachtige allure kreeg. Die grandeur werd versterkt door de torenachtige uitbouwen, daar waar de straat weer zijn gewone breedte hernam. Een van de twee torens is helaas gesloopt, evenals een andere toren van Van der Mey, op het Hoofddorpplein. Ten tweede smeedde hij door middel van een poortgebouw twee wanden van afzonderlijke bouwblokken samen, zodat één doorlopende gevelwand ontstond. De straat kreeg hierdoor een veel rustiger, symmetrischer aanzicht. Het beeld van één gevelwand werd versterkt door de doorlopende vensterreeksen, die de gevel dynamiek en ritme geven. De individuele woning is aldus opgelost in het groter geheel. Langs de hele wand loopt een vrijhangende betonnen luifel. Waar de straat weer versmalt, dus op de hoek met de toren, gaat de luifel over in een arcade. Door die doorlopende vensterreeksen en de luifel heeft het er de schijn van dat de beide zijden van de straat gespiegeld zijn. Van der Mey heeft echter, met name op de hoeken, subtiele verschillen aangebracht. Veel van de oorspronkelijke detaillering is helaas in de loop van de tijd verloren gegaan.

De door Van der Mey ontworpen gevels lopen de hoek om naar de Admiralengracht en verspringen trapsgewijs naar achter en omlaag. De hoek komt zo des te sterker uit en geeft de winkelstraat een meerwaarde boven de gracht, een principe dat in de oude stad precies andersom ligt. De wandelaar die zijn tocht vervolgen wil naar het Mercatorplein, zal even onbeschut de brug, een ontwerp van Piet Kramer, moeten oversteken, maar komt daarna direct weer onder een arcade terecht.

De bebouwing tussen het Mercatorplein en de Admiralengracht: J.F. Staal, 1925-1927. Jan Evertsenstraat 52-140, 43-129d, Admiralengracht 213-229, Marco Polostraat 224-232, 217-225, John Franklinstraat 1-7, 4-8, Vespuccistraat 40-42, 37-43, Hudsonstraat (hof) 168, 181.

Aan Staal was de eer direct aan te sluiten op Berlages ontwerp. Op het eerste gezicht zijn de door Staal ontworpen gevelwanden gespiegeld over de straatas, maar ook hier bedriegt de schijn. Hoewel de diverse elementen waaruit de gevelcompositie is opgebouwd identiek zijn, is niet één gevelwand gelijk aan een andere. De gevels liggen in één vlak en zijn overal even hoog. Behalve in het stuk naar de Admiralengracht. Daar duiken aan weerszijden van de straat blokvormige torens op, als flauwe echo van Berlages toren op het Mercatorplein. Dit kloeke gebaar doorbreekt de monotonie van de lange gevelwand. Net als Berlage en Van der Mey wist ook Staal dat architectuur meer was dan de optelsom van architectonische details. Het grote gebaar, de stedelijke allure daar ging het om. En net als Van der Mey paste Staal kunstgrepen toe. Niet alleen de torens, ook de poortgebouwen vervullen eenzelfde functie als in het eerste stuk: het creëren van eenheid en harmonie. Liever zes schijnbaar symmetrische gevelwanden dan acht onregelmatig verspreide losse eindjes.

Schoonheid boven praktisch nut

De lange gevelwanden zijn, in verticale zin, ritmisch geleed door de uitgemetselde bakstenen muurdammen met aan weerszijden uitgebouwde vensters of balkons. De zolderverdieping is aan de straatzijde geheel blind. In dit doorgemetselde gevelvlak bevinden zich de hijsbalken net onder de dakrand en zijn dus niet van binnen uit bereikbaar. De bewoners van alle etages hebben echter toegang tot het (platte) dak en kunnen via die weg het touw en blok aan de hijsbalk bevestigen. In wezen een stuk praktischer dan wanneer de hijsbalk, zoals in veel Amsterdamse woningen voorkomt, alleen te bereiken is via de etage of de zolder van de buren op de bovenverdieping. De stijl van de Amsterdamse School, waarin schoonheid van ontwerp toch vaak belangrijker werd gevonden dan praktisch nut, laat hier beide afwegingen mooi samengaan. Het krachtige beeld van het blind gemetselde gevelvlak wordt geaccentueerd door de betonnen dakrand op klossen die boven de gevel lijkt te zweven. Deze dakrand is helaas deels gesloopt, net als veel overige details.

De detaillering is aangepast aan de schaal van de winkelstraat. De betonnen luifel, overal tussen Marco Polostraat en Mercatorplein prominent aanwezig, bevindt zich onder een strook glazen bouwstenen, in die tijd erg populair onder het vooruitstrevend deel van het architectengilde. De meeste details zijn in beton uitgevoerd, de kozijnen in hout. Deze kozijnen, voorzover niet vernieuwd, lijken op het eerste gezicht standaard, maar de volstrekt unieke afwateringsgeultjes (spuwers) onderaan verlevendigen het gevelbeeld in hoge mate.

Jan Evertsenstraat hoek Mercatorplein, H.P. Berlage, 1925-1927. Nummers 133-137a, 142-144a.

De wandelaar die de gehele Jan Evertsenstraat uitloopt, komt uit op een plein, met opnieuw arcades. Oorspronkelijk was over de hele lengte van de Jan Evertsenstraat een arcade gedacht, maar dit stuitte op weerstand bij de bouwers. Vandaar dat alleen op strategische plaatsen, op de hoeken onder de torens en op het plein dit idee is doorgezet. Het is niet ondenkbaar dat Berlage zijn inspiratie voor een plein met arcades opdeed in Toscane in Italië. Vanaf het plein kun je de stad uit via de Hoofdweg of via de westkant, waar Berlage oorspronkelijk een poort in gedachten had, net als aan de noord- en zuidzijde van het plein. Bij de uiteindelijke uitvoering zijn alleen de voetpaden als poort uitgevoerd, de rijweg niet. Desalniettemin is de suggestie van een toegangspoort naar de nieuwe stad wel duidelijk aanwezig.

De winkeliers

Een groot aantal winkelpuien van zowel Van der Mey als van Staal verkeert nog in de oorspronkelijke staat. In een aantal gevallen heeft de zorgvuldige vormgeving en de fijne detaillering van de houten deuren helaas plaats gemaakt voor een moderne ‘laagdrempelige’ inlooppui met glasdeur.

Maar wat voor winkels zitten er? En is het winkelaanbod erg veranderd in de afgelopen 75 jaar? Van Plan-Zuid is wel bekend dat daar de gegoede burgerij en de betere middenstanders gevestigd waren. De Jan Evertsenstraat heeft op grond van een problematische periode een stigma van vulgariteit opgelopen. Dit in scherp contrast met de belangrijkste winkelstraat in Amsterdam-Zuid: de Beethovenstraat. Toch houden de winkeliers het gemiddeld lang vol en overleefden ze alle roerige tijden schijnbaar moeiteloos. Tegenwoordig is het winkelaanbod vrijwel constant en ongeveer hetzelfde als een kwart eeuw geleden. In die tijd was de Jan Evertsenstraat het Mekka voor kleine zelfstandigen en kwam de winkelstraat in onderzoeken in vergelijking met de Dapperbuurt en de Staatsliedenbuurt, maar ook met de Beethovenstraat, als beste vestigingsstraat uit de bus. De ingrijpende herstructurering van 1979, toen de trambaan werd opgehoogd waardoor het bevoorraden van de winkels moeilijker is geworden dan vroeger, werd zelfs afgesloten met een groots buurtfeest waar bijna alle 112 winkeliers aan meededen.

Corsetten en chocolade

In de straat zitten vooral veel kledingwinkels, maar ook de slager, de bakker en de speciaalzaak voor elektronica en huishoudelijke apparatuur bepalen al jaren het beeld. En eigenlijk was dat in de beginjaren van de straat niet anders, blijkt uit de adresboeken van die tijd. Het waren niet de duurste winkels van de stad. Daarvoor woonde in West, opgezet voor arbeiders en de middenklasse, niet de clientèle. Boven de winkels woonden bankbedienden, handwerkslieden en onderwijzers, maar geen vrije beroepen. De winkels zelf werden over het algemeen bestierd door kleine zelfstandigen. Een enkele keer had de eigenaar meer winkels in de stad, maar eigenlijk nooit meer dan drie.

Van meet af aan zaten er veel modewinkels, waaronder Hunkemöllers Corsettenmagazijn (op nummer 59) en mejuffrouw Philippeau’s Herenmodezaak (op nummer 29). Daarnaast valt het relatief grote aantal bakkers en chocoladewinkels op. Ook manufacturen, bedden en tapijten doen het blijkbaar goed. Er is een postagentschap, een rijwielhandel (Van Eiken op nummer 112) en een ijzerwarenzaak (Ligthart, 106). Maar echt opvallend zijn de twee kunsthandels. Op nummer 21 de Boek- en Kunsthandel Van Rossum & De Vries en op nummer 83 Vingerhoed schilderijen. Er zullen geen oude meesters over de toonbank zijn gegaan, maar kennelijk woonden er in de buurt voldoende kunstminnenden voor beide zaken. Overigens is dit de enige soort nering die niet meer terug is te vinden in de Jan Evertenstraat van nu.

Maar verder is de Jan Evertsenstraat niet van karakter veranderd en het ziet er niet naar uit dat dat op korte of lange termijn gaat gebeuren. Nog steeds kan droog gewinkeld worden en nog steeds is de architectuur, ondanks de vele ingrepen in het verleden, van een grote schoonheid. Wie daar van wil genieten en vanaf de vrije trambaan een onbelemmerde blik over de straat naar het Mercatorplein wil werpen, doet er echter verstandig aan daarvoor een rustige zondagmorgen uit te kiezen, want de tijd van de handkar is definitief voorbij.

Mr. drs. E. Matti is architectuurhistoricus en co-auteur van de Atlas Gordel ’20-’40.

Dit artikel is tot stand gekomen naar aanleiding van het verschijnen van de Atlas Gordel ’20-’40, een boek met kaarten en cd-rom. In deze uitgave is alle bebouwing in Amsterdam uit de periode 1920-1940 geïnventariseerd en zijn bijna 600 (archief)foto’s opgenomen van alle kenmerkende straten.