Nummer 2: Februari 2001

75 jaar Jan Evertsenstraat

De kransslagader van West

Tekst: Erik Mattie

Wie al winkelend door de Jan Evertsenstraat kuiert, zal zich niet direct realiseren dat deze licht verloederde koopgoot ooit één van Amsterdams hoofdstraten was. De verloedering heeft gelukkig het omslagpunt bereikt en de nu 75-jarige straat krijgt langzaamaan haar oude allure terug. De eerste ‘droge’ winkelstraat van Amsterdam en waarschijnlijk ook van Nederland, is vrijwel in z’n geheel genomineerd voor de rijksmonumentenlijst.

In het huidige tijdsgewricht van winkelcentra, koopzondagen en fun shoppen lijkt de overkapping van het winkelgedeelte van de straat een vanzelfsprekendheid, maar in 1925 was dit idee nieuw en nadrukkelijk bedoeld om de winkelstraat meer cachet te geven.

De Jan Evertsenstraat was de belangrijkste winkelstraat binnen het zogeheten Plan-West. Dit Plan-heeft nooit dezelfde aandacht gekregen als het veel beroemdere uitbreidingsPlan-voor Amsterdam-Zuid, waarvoor H.P. Berlage (1856-1934) in 1917 de plattegrond ontwierp. De bebouwing van Plan-West en Plan-Zuid kwam grotendeels tot stand in dezelfde periode. Samen met de tuinsteden in Noord en andere, kleinere gebieden vormen zij om Amsterdam een grote ring: de Gordel ’20-’40. Het onbekende Plan-West, dat het gebied beslaat tussen Postjesweg, Admiralengracht, Erasmusgracht en Orteliuskade, is ontegenzeggelijk van bijzonder hoge kwaliteit. Hoewel het stedenbouwkundig ontwerp de subtiliteiten mist van Plan-Zuid, waart de geest van Berlage ook krachtig door de westelijke stadsuitbreiding. Niet vreemd, als men bedenkt dat het stedenbouwkundig Plan-is ontworpen door J. Gratama, G. Versteeg en A.R. Hulshoff. Eerstgenoemde twee architecten hadden namelijk al onder supervisie van Berlage de Transvaalbuurt in Oost voor hun rekening genomen. Dit driemanschap was bovendien verantwoordelijk voor de silhouetten van straten en pleinen, veelal gedomineerd door torenachtige uitbouwen. Een twaalftal zorgvuldig geselecteerde architecten ontwierp de gevels, zonder uitzondering in de stijl van de Amsterdamse School. Berlages architectonische en stedenbouwkundige visie, voor het eerst ten volle ontwikkeld in Plan-Zuid, bestond er onder andere uit dat de straatwand een samenhangend geheel moest vormen, waarbij de individuele woning ondergeschikt was aan het groter ruimtelijk geheel. Dit principe is ook in Plan-West en de Jan Evertsenstraat doorgevoerd. Ontwerpen die niet voldeden aan de eisen of te sterk afweken van de naastliggende gevel werden zonder veel omhaal door de schoonheidscommissie afgekeurd. De architecten die de Jan Evertsenstraat kregen toegewezen, hadden op grond van hun bekendheid en staat van dienst echter weinig te duchten van deze strenge examinatoren.

6000 woningen

De supervisie en de welstandstoetsing waren een zaak van algemeen belang en werden dus ondergebracht bij de gemeentelijke instellingen, maar het initiatief tot de nieuwe stadsuitbreiding was een particuliere aangelegenheid. Het was de bouwondernemer Heere van der Schaar (1882-1970) die in 1922 met het plan kwam in West 6000 woningen te bouwen, evenveel als er in heel Breda stonden. Aangezien hij het voorstel indiende namens twee bouwmaatschappijen, beloofde om veel werklozen voor het project aan te nemen, én de grootmeester van de architectuur Berlage wilde inschakelen, steunden b&w het uitbreidingsplan. Van der Schaar bouwde niet alle woningen, maar toevallig wel de meeste in de Jan Evertsenstraat.

Plan-West is niet ontwikkeld vanaf de oude stadsrand, maar vanuit de kern: het Mercatorplein, waar de Jan Evertsenstraat de Hoofdweg kruist. De Hoofdweg is de belangrijkste noord-zuid verkeersroute in Plan-West, dus het is geen toeval dat de kruising met de Jan Evertsenstraat tot een monumentaal plein is uitgewerkt. Het Mercatorplein moest, net als het Rembrandtplein in de oude stad, het kloppend hart worden van Plan-West, met de Jan Evertsenstraat als kransslagader. Deze belangrijke functie werd benadrukt door de twee dominante torens aan het plein, waarvan de noordelijke onlangs is herbouwd. De herbouwde toren is vanaf de Jan Evertsenstraat een duidelijk oriëntatiepunt en schept verwachtingen voor het verkeer dat westwaarts reist. Verwachtingen die door het schitterende plein geheel worden ingelost. Andersom, richting de oude stad ontbreekt zo een sterk oriëntatiepunt.

Gerenommeerde architecten

Het Mercatorplein met de hoeken op de Jan Evertsenstraat is zoals bekend ontworpen door Berlage zelf. De Jan Evertsenstraat tussen Mercatorplein en de Witte de Withstraat is ontworpen door de gerenommeerde architecten J.F. Staal (1879-1940) en J.M. van der Mey (1878-1949), die zijn deel ontwierp voor het architectenbureau van Gulden & Geldmaker. Het laatste stuk voorbij het Mercatorplein, ontworpen door C.J. Blaauw (1885-1947), heeft een ander karakter en blijft hier verder buiten beschouwing.

De drie architecten kweten zich elk op eigen wijze van hun eervolle taak, waarbij zij als uitgangspunt dienden te nemen dat de straatwand een architectonische en stedenbouwkundige eenheid moest vormen. Het is veelzeggend dat geen van de architecten een heel bouwblok ontwierp, maar alleen de zijden van het bouwblok die aan één straat gelegen waren. Van der Mey en Staal deden de straatwanden, Berlage nam de overgang naar de pleinwand als uitgangspunt.

De bebouwing tussen de Admiralengracht en de oude stad: J.M. Van der Mey, 1926. Jan Evertsenstraat 20-46, 9-41, Krommertstraat 2-4, 1-5, Admiralengracht 170-188, Cornelisz Dirckszstraat 2-4.

Van der Mey ontwierp het eerste stuk van de nieuwe straat in aansluiting op de ‘oude’ stad, waar het straatbeeld werd gedomineerd door nogal traditionele bouwblokken van rond 1910. Hij paste daarbij twee ingenieuze kunstgrepen toe die de straat meteen een hoog decorum verschaften. Hij liet ten eerste vrijwel direct de rooilijn terugwijken waardoor de Jan Evertsenstraat meteen aan het begin veel breder werd en een boulevardachtige allure kreeg. Die grandeur werd versterkt door de torenachtige uitbouwen, daar waar de straat weer zijn gewone breedte hernam. Een van de twee torens is helaas gesloopt, evenals een andere toren van Van der Mey, op het Hoofddorpplein. Ten tweede smeedde hij door middel van een poortgebouw twee wanden van afzonderlijke bouwblokken samen, zodat één doorlopende gevelwand ontstond. De straat kreeg hierdoor een veel rustiger, symmetrischer aanzicht. Het beeld van één gevelwand werd versterkt door de doorlopende vensterreeksen, die de gevel dynamiek en ritme geven. De individuele woning is aldus opgelost in het groter geheel. Langs de hele wand loopt een vrijhangende betonnen luifel. Waar de straat weer versmalt, dus op de hoek met de toren, gaat de luifel over in een arcade. Door die doorlopende vensterreeksen en de luifel heeft het er de schijn van dat de beide zijden van de straat gespiegeld zijn. Van der Mey heeft echter, met name op de hoeken, subtiele verschillen aangebracht. Veel van de oorspronkelijke detaillering is helaas in de loop van de tijd verloren gegaan.

De door Van der Mey ontworpen gevels lopen de hoek om naar de Admiralengracht en verspringen trapsgewijs naar achter en omlaag. De hoek komt zo des te sterker uit en geeft de winkelstraat een meerwaarde boven de gracht, een principe dat in de oude stad precies andersom ligt. De wandelaar die zijn tocht vervolgen wil naar het Mercatorplein, zal even onbeschut de brug, een ontwerp van Piet Kramer, moeten oversteken, maar komt daarna direct weer onder een arcade terecht.

De bebouwing tussen het Mercatorplein en de Admiralengracht: J.F. Staal, 1925-1927. Jan Evertsenstraat 52-140, 43-129d, Admiralengracht 213-229, Marco Polostraat 224-232, 217-225, John Franklinstraat 1-7, 4-8, Vespuccistraat 40-42, 37-43, Hudsonstraat (hof) 168, 181.

Aan Staal was de eer direct aan te sluiten op Berlages ontwerp. Op het eerste gezicht zijn de door Staal ontworpen gevelwanden gespiegeld over de straatas, maar ook hier bedriegt de schijn. Hoewel de diverse elementen waaruit de gevelcompositie is opgebouwd identiek zijn, is niet één gevelwand gelijk aan een andere. De gevels liggen in één vlak en zijn overal even hoog. Behalve in het stuk naar de Admiralengracht. Daar duiken aan weerszijden van de straat blokvormige torens op, als flauwe echo van Berlages toren op het Mercatorplein. Dit kloeke gebaar doorbreekt de monotonie van de lange gevelwand. Net als Berlage en Van der Mey wist ook Staal dat architectuur meer was dan de optelsom van architectonische details. Het grote gebaar, de stedelijke allure daar ging het om. En net als Van der Mey paste Staal kunstgrepen toe. Niet alleen de torens, ook de poortgebouwen vervullen eenzelfde functie als in het eerste stuk: het creëren van eenheid en harmonie. Liever zes schijnbaar symmetrische gevelwanden dan acht onregelmatig verspreide losse eindjes.

Schoonheid boven praktisch nut

De lange gevelwanden zijn, in verticale zin, ritmisch geleed door de uitgemetselde bakstenen muurdammen met aan weerszijden uitgebouwde vensters of balkons. De zolderverdieping is aan de straatzijde geheel blind. In dit doorgemetselde gevelvlak bevinden zich de hijsbalken net onder de dakrand en zijn dus niet van binnen uit bereikbaar. De bewoners van alle etages hebben echter toegang tot het (platte) dak en kunnen via die weg het touw en blok aan de hijsbalk bevestigen. In wezen een stuk praktischer dan wanneer de hijsbalk, zoals in veel Amsterdamse woningen voorkomt, alleen te bereiken is via de etage of de zolder van de buren op de bovenverdieping. De stijl van de Amsterdamse School, waarin schoonheid van ontwerp toch vaak belangrijker werd gevonden dan praktisch nut, laat hier beide afwegingen mooi samengaan. Het krachtige beeld van het blind gemetselde gevelvlak wordt geaccentueerd door de betonnen dakrand op klossen die boven de gevel lijkt te zweven. Deze dakrand is helaas deels gesloopt, net als veel overige details.

De detaillering is aangepast aan de schaal van de winkelstraat. De betonnen luifel, overal tussen Marco Polostraat en Mercatorplein prominent aanwezig, bevindt zich onder een strook glazen bouwstenen, in die tijd erg populair onder het vooruitstrevend deel van het architectengilde. De meeste details zijn in beton uitgevoerd, de kozijnen in hout. Deze kozijnen, voorzover niet vernieuwd, lijken op het eerste gezicht standaard, maar de volstrekt unieke afwateringsgeultjes (spuwers) onderaan verlevendigen het gevelbeeld in hoge mate.

Jan Evertsenstraat hoek Mercatorplein, H.P. Berlage, 1925-1927. Nummers 133-137a, 142-144a.

De wandelaar die de gehele Jan Evertsenstraat uitloopt, komt uit op een plein, met opnieuw arcades. Oorspronkelijk was over de hele lengte van de Jan Evertsenstraat een arcade gedacht, maar dit stuitte op weerstand bij de bouwers. Vandaar dat alleen op strategische plaatsen, op de hoeken onder de torens en op het plein dit idee is doorgezet. Het is niet ondenkbaar dat Berlage zijn inspiratie voor een plein met arcades opdeed in Toscane in Italië. Vanaf het plein kun je de stad uit via de Hoofdweg of via de westkant, waar Berlage oorspronkelijk een poort in gedachten had, net als aan de noord- en zuidzijde van het plein. Bij de uiteindelijke uitvoering zijn alleen de voetpaden als poort uitgevoerd, de rijweg niet. Desalniettemin is de suggestie van een toegangspoort naar de nieuwe stad wel duidelijk aanwezig.

De winkeliers

Een groot aantal winkelpuien van zowel Van der Mey als van Staal verkeert nog in de oorspronkelijke staat. In een aantal gevallen heeft de zorgvuldige vormgeving en de fijne detaillering van de houten deuren helaas plaats gemaakt voor een moderne ‘laagdrempelige’ inlooppui met glasdeur.

Maar wat voor winkels zitten er? En is het winkelaanbod erg veranderd in de afgelopen 75 jaar? Van Plan-Zuid is wel bekend dat daar de gegoede burgerij en de betere middenstanders gevestigd waren. De Jan Evertsenstraat heeft op grond van een problematische periode een stigma van vulgariteit opgelopen. Dit in scherp contrast met de belangrijkste winkelstraat in Amsterdam-Zuid: de Beethovenstraat. Toch houden de winkeliers het gemiddeld lang vol en overleefden ze alle roerige tijden schijnbaar moeiteloos. Tegenwoordig is het winkelaanbod vrijwel constant en ongeveer hetzelfde als een kwart eeuw geleden. In die tijd was de Jan Evertsenstraat het Mekka voor kleine zelfstandigen en kwam de winkelstraat in onderzoeken in vergelijking met de Dapperbuurt en de Staatsliedenbuurt, maar ook met de Beethovenstraat, als beste vestigingsstraat uit de bus. De ingrijpende herstructurering van 1979, toen de trambaan werd opgehoogd waardoor het bevoorraden van de winkels moeilijker is geworden dan vroeger, werd zelfs afgesloten met een groots buurtfeest waar bijna alle 112 winkeliers aan meededen.

Corsetten en chocolade

In de straat zitten vooral veel kledingwinkels, maar ook de slager, de bakker en de speciaalzaak voor elektronica en huishoudelijke apparatuur bepalen al jaren het beeld. En eigenlijk was dat in de beginjaren van de straat niet anders, blijkt uit de adresboeken van die tijd. Het waren niet de duurste winkels van de stad. Daarvoor woonde in West, opgezet voor arbeiders en de middenklasse, niet de clientèle. Boven de winkels woonden bankbedienden, handwerkslieden en onderwijzers, maar geen vrije beroepen. De winkels zelf werden over het algemeen bestierd door kleine zelfstandigen. Een enkele keer had de eigenaar meer winkels in de stad, maar eigenlijk nooit meer dan drie.

Van meet af aan zaten er veel modewinkels, waaronder Hunkemöllers Corsettenmagazijn (op nummer 59) en mejuffrouw Philippeau’s Herenmodezaak (op nummer 29). Daarnaast valt het relatief grote aantal bakkers en chocoladewinkels op. Ook manufacturen, bedden en tapijten doen het blijkbaar goed. Er is een postagentschap, een rijwielhandel (Van Eiken op nummer 112) en een ijzerwarenzaak (Ligthart, 106). Maar echt opvallend zijn de twee kunsthandels. Op nummer 21 de Boek- en Kunsthandel Van Rossum & De Vries en op nummer 83 Vingerhoed schilderijen. Er zullen geen oude meesters over de toonbank zijn gegaan, maar kennelijk woonden er in de buurt voldoende kunstminnenden voor beide zaken. Overigens is dit de enige soort nering die niet meer terug is te vinden in de Jan Evertenstraat van nu.

Maar verder is de Jan Evertsenstraat niet van karakter veranderd en het ziet er niet naar uit dat dat op korte of lange termijn gaat gebeuren. Nog steeds kan droog gewinkeld worden en nog steeds is de architectuur, ondanks de vele ingrepen in het verleden, van een grote schoonheid. Wie daar van wil genieten en vanaf de vrije trambaan een onbelemmerde blik over de straat naar het Mercatorplein wil werpen, doet er echter verstandig aan daarvoor een rustige zondagmorgen uit te kiezen, want de tijd van de handkar is definitief voorbij.

Mr. drs. E. Matti is architectuurhistoricus en co-auteur van de Atlas Gordel ’20-’40.

Dit artikel is tot stand gekomen naar aanleiding van het verschijnen van de Atlas Gordel ’20-’40, een boek met kaarten en cd-rom. In deze uitgave is alle bebouwing in Amsterdam uit de periode 1920-1940 geïnventariseerd en zijn bijna 600 (archief)foto’s opgenomen van alle kenmerkende straten.