Nummer 2: Februari 2001


Bakermat van Hitweek en Uitkrant

De Poortpers: een eigenzinnige drukkerij

Tekst: Willem de Ridder

Ruud Schoonman en Sven Augustin, twee sociaal bewogen maar ook erg praktische Amsterdamse studenten, begonnen in 1951 Poortpers, een drukkerijtje dat een proeftuin werd voor ingrijpende vernieuwingen op typografisch en journalistiek gebied. ‘Verhalenverteller’ Willem de Ridder, oprichter van Hitweek, was vaste klant. Een verslag van binnen uit.

Lang geleden woonde ik met Doortje in het dorpje Aerdenhout. Op een dag liep ik met haar boxer te wandelen toen ik een kennis tegenkwam die me schaterend vertelde over een belachelijk nieuw popblad dat Beatbox heette. Het was begin jaren zestig en ik was bij de nieuwste wereldwijde kunststroming betrokken die voor het eerst alle media op één hoop gooide en zich Fluxus noemde. Ik was voorzitter van de afdeling Noord-Europa, kortom ik was uitermate geïnteresseerd in alles wat belachelijk gevonden werd. Zoals Beatbox, dus.

Toen ik het eenmaal te pakken had, bladerde ik met grote ogen door het bizarre, klungelige tijdschriftje. Dit was geen popblad, het léék er alleen maar op. De maker plakte rustig het hoofd van Elvis op het lichaam van Roy Orbison, met het onderschrift dat het hier om een zeer exclusieve foto ging. Ik werd er meteen door gegrepen.

Een briljante slungel

Niet veel later ontdekte ik het Beatbox-drukkertje in de Staatsliedenbuurt van Amsterdam en vroeg hem naar de maker van dit moois. Hij heette Peter J. Muller en woonde vlakbij. Hij was het blad in 1965 begonnen, toen hij een jaar of zeventien was, en toen ik hem ontmoette bleek hij een lange, magere, briljante slungel, die meteen mijn hart stal. Even later besloten we te gaan samenwerken en was ik ineens redacteur van Beatbox geworden. Precies op tijd. Ik had net met Wim T. Schippers het geruchtmakende namaak-televisieprogramma Signalement geproduceerd, waarin we ons Holle landje confronteerden met pop-art, nouveau realisme, Zero, Fluxus, PK’s (Papieren Konstelaties, ofwel tot proppen verfrommelde kunstwerken) en Adynamische kunst. De kranten dachten natuurlijk dat het allemaal nep was. Een naam als ‘Warhol’ moest toch duidelijk door ons verzonnen zijn.

Kortom, ik was een naam in de kunst, had tentoongesteld in het Haags Gemeentemuseum en in Europa Fluxusconcerten gegeven, maar ik had mijn buik vol van die suffe elitewereld. Ik vond kunst een aflopende zaak voor een steeds kleinere incrowd. Hoog tijd om eruit te stappen. Tijd dus voor Beatbox.

De buurtdrukker, die voornamelijk visitekaartjes, kruideniersfolders en huwelijksaankondigingen drukte, werd al spoedig helemaal gek van ons. Toentertijd werd drukwerk nog met loden letters gemaakt en moesten foto’s in metalen rasterclichés worden omgezet. Wij wilden de meest belachelijke dingen doen die, volgens hem, in lood niet mogelijk waren. We hielden echter onze poot stijf en het blaadje werd steeds meer fluxus.

Ik duwde al mijn kunstkennissen trots ons steeds vreemder wordende tijdschriftje onder de neus en een van hen bladerde er schaterend doorheen en vertelde dat hij de stiefzoon van Willem Sandberg kende (toen directeur van het Stedelijk Museum), die samen met een studentenvriend een alternatief drukkerijtje was begonnen met een heel nieuw druksysteem. Die zouden zeker in het blad geïnteresseerd zijn. Hun zaakje bevond zich vlak bij het Concertgebouw in de Alexander Boersstraat 30, om de hoek van het Stedelijk Museum, waar ze ook veel drukwerk voor maakten. Ik belde er aan en ietwat nerveus wachtte ik vervolgens in een toch wel grote officiële showroom op een van de directeuren. Dit was geen drukkerijtje, maar een Echt Bedrijf.

Grootse plannen

Toen de deur openging, kwam er een joviale man binnen die zich als Ruud Schoonman voorstelde. Om indruk te maken verzon ik maar wat en begon over ‘grootse plannen’ voor een landelijke jongerenkrant. We hadden nu een eh... pilot-project dat Beatbox heette, maar de bedoeling was dat er een publicatie kwam waarin de nieuwe generatie niet opnieuw gemanipuleerd werd door gewetenloze zakenlieden, maar waarin ze zelf aan het woord konden komen. Dus ook geen redacteuren (Peter en ik hadden daar trouwens geen geld voor): iedereen moest alles kunnen schrijven en tekenen met de garantie dat het allemaal, zonder aanzien des persoons, geplaatst zou worden.

Terwijl ik maar wat zat te bluffen, bleken mijn woorden diepe indruk te maken. Ruud Schoonman vond het een revolutionair idee en omdat hij onlangs de eerste vierkleuren offset-rotatiepers van Nederland had gekocht, kon hij meteen gaan drukken.

“Kunnen we volgende week met jullie eerste nummer van die wekelijkse krant uitkomen?”

Ik viel bijna van mijn stoel. Wekelijkse krant???

“Eh... tja... natuurlijk... maar misschien moeten we eerst de lezers ervan op de hoogte stellen dat ze in deze nieuwe krant kunnen gaan schrijven.”

Ruud knikte en vroeg of we een eigen ontwerpstudio hadden.

“Nog niet... (zweet) we doen alles het liefste zelf in de drukkerij.”

Hij nam me meteen mee naar een grote ruimte waar twee mannen aan een bureau zaten. In de hoek stond een tekentafel. Daar kon ik meteen aan beginnen. “Hier is millimeterpapier en dit zijn allerlei lettersoorten die je op dat papier kan plakken. Wij werken niet meer met lood. Je kunt precies de pagina ontwerpen die je wil. Daar in de hoek liggen alle benodigdheden.”

Landelijke weekkrant

Even later zat ik de eerste voorpagina van een nieuwe krant te ontwerpen. Iets wat ik nog nooit gedaan had. Ruud vroeg nog hoe de krant zou gaan heten. Ter plaatse verzon ik de naam Hitweek. “Prima naam,” riep hij nog en vertrok.

Met geen woord had hij over geld gesproken. We hadden geen cent. We konden net ons drukkertje betalen. Schuchter vroeg ik aan een van de mannen of ik even mocht bellen. Toen ik Peter Muller aan de lijn kreeg, vertelde ik hem met een officiële zakenstem, dat we volgende week met een nieuwe landelijke weekkrant in offset zouden gaan uitkomen. Ik genoot van zijn verbijstering en vertelde hem achteloos dat hij meteen moest langskomen op ons hoofdkantoor. Een paar dagen later reed ik met Ruud Schoonman het hele land door. Achter in zijn auto lagen stapels voorpagina’s. Op de achterkant had ik in mijn mooiste handschrift geschreven dat deze krant er alleen maar zou komen, als jij er in zou gaan schrijven. Stuur je tekeningen, foto’s, verhalen. Anders is er geen krant.

Scheikundedoos

Medefirmant Sven Augustin zag ik eigenlijk nooit. Hij was het zakelijk brein van het bedrijf en zat in een achterkamertje te rekenen. Ruud Schoonman was de creatieve man, een visionair. Hem zag ik des te meer. Dagenlang reden we van stad naar stad, van beatclub naar jongerencentrum, overal pakken voorpagina’s dumpend, die door de mods en de rockers enthousiast werden ontvangen. Ruud vertelde me tijdens die expeditie dat hij oorspronkelijk uit Den Haag kwam, maar dat hij op zijn achtste naar Amsterdam verhuisde. Zijn ouders hadden daar een kruidenierswinkel. Zo’n krant als Hitweek had er eerder moeten zijn, dan had hij erin kunnen schrijven over zijn gescharrel op school, waar hij het met wat handige trucs net wist te redden. Ruud zat vol verhalen. Bij het behalen van zijn zwemdiploma kreeg hij de hoofdprijs: een scheikundedoos. Omdat hij in het kleedhokje te lang aan het worstelen was met een ingewikkeld vliegenierspak dat zijn moeder voor hem gemaakt had, pikte een andere jongen zijn prijs in. Weg doos!

Hij spaarde echter net zo lang tot hij zelf een andere kon kopen. Jarenlang is hij thuis met scheikunde bezig geweest. Hij kreeg er op school dan ook een 10 voor en in 1942 kwam hij op de universiteit in Delft terecht. Ineens woonde hij weer in Den Haag, bij zijn tante. In 1944 werd hij door de Duitsers (samen met haar) opgepakt, omdat hij naar de Engelse radio zat te luisteren en kwam in het concentratiekamp Amersfoort terecht. Niet veel later zat hij in de trein op transport naar Duitsland, maar bij Putten kon hij eruit springen en spoedig smokkelde hij zichzelf terug naar Amsterdam. Daar dook hij onder in een kwekerij, waar ook illegale stenguns lagen opgeslagen en deed mee aan het verzet in de Binnenlandse Strijdkrachten.

Hij keek me glimmend aan. “Ik was een fel mannetje en organiseerde al in 1942 een scholierenstaking. We gingen zingend op de fiets de straat op. Loe de Jong heeft er nog over geschreven.”

Folia Civitatis

Toen de oorlog afgelopen was ging Ruud terug naar Delft om ingenieur te worden, maar vlak voordat hij die titel zou krijgen is hij er van de ene dag op de andere mee opgehouden. Gewoon geen zin meer. Hij werd opstandig lid van de Nederlandse Vereniging voor Seksuele Hervorming, wat in die tijd een schande was, en werd zelfs een felle trotskist. Daarom besloot hij in Amsterdam naar de net opgerichte Politieke en Sociale Faculteit te gaan. Ook daar organiseerde hij met studiegenoten als Wim Klinkenberg en Geke Linker acties. Hij hielp bij het schrijven, drukken en colporteren van De Tribune en vond dat er een universiteitsblad moest komen. Karel Levisson verzon de naam Folia Civitatis en Ruud zette het eerste nummer in elkaar. Samen met Wim Klinkenberg waren ze de raddraaiers in de redactie en werden er dan ook na zes nummers uitgegooid. Ruud had echter de smaak te pakken. Studenten hadden in die tijd grote moeite om aan hun boeken te komen. Hoogleraren gaven vrolijk titels op die, behalve in de universiteitsbibliotheek, nergens te krijgen waren. Samen met medestudent Sven Augustin besloot hij ze collectief te bestellen. Dat liep als een trein, maar het duo ging nog verder. De titels waar ze niet meer aan konden komen, gingen ze zelf drukken. Er was namelijk net een goedkoop, nieuw druksysteem uitgevonden, dat ‘offset’ heette en Ruud was meteen enthousiast.

Revolutionaire grafische methoden

Bij diverse professoren bedelden ze wat geld bij elkaar om een offsetpersje te kopen en aldus ontstond de studentendrukkerij Poortpers (de Politieke en Sociale Faculteit huisde immers in de Oudemanhuispoort), waar dan ook voornamelijk studenten werkten. Ruud was zo begeesterd dat hij de verdere studie aan zijn laars lapte om zich helemaal aan het drukken te wijden. Een vetpot was het niet. Nadat de drukkers en de typistes waren betaald, bleef er voor de directie niet veel over. “Ik heb jaren met mijn vriendin Geke Linker samengehokt in een krot met wandluizen, zonder een cent. We waren niet getrouwd en dat vond mijn moeder zo’n schande dat ze me meteen onterfd heeft.”

Ik knikte begrijpend, want ook ik werkte al vele jaren aan uiteenlopende projecten zonder een cent inkomen. Alsof hij mijn gedachten kon raden, vertelde hij dat Willem Sandberg, de stiefvader van zijn compagnon Sven Augustin, veel door hem ontworpen catalogi voor het Stedelijk Museum bij de Poortpers liet drukken en dat er daardoor ook meer commerciële reclamefolders volgden. Ruud ontwikkelde revolutionaire grafische methoden voor tijdschriftenproductie die massaal aansloegen.

Hij vertelde hoe ze maar bleven groeien. Inmiddels heette de drukkerij Augustin & Schoonman en hadden ze een fabriek gebouwd in Zwanenburg waar de nieuwe vierkleuren offset-rotatiepers van Neu Strelitz uit Oost-Duitsland stond opgesteld. Zijn kinderen hadden de eerste steen gelegd. Van die pers rolde het eerste nummer van Hitweek dat 30 cent kostte (vier voor een gulden). De krant werd door heel wat tieners op straat verkocht en sloeg in als een bom. Ik kon zijn kantoren in de Alexander Boersstraat zoveel gebruiken als ik maar wilde. Er werd nooit over geld gesproken. Ik was ondertussen weg bij Doortje en naar de Wallen verhuisd. Ik was beroemd bij alle tieners maar had geen cent, terwijl ik steeds meer geïnterviewd werd en me rijk gedroeg. Alle kranten in Nederland werden nog in lood gedrukt en dankzij de geniale vondsten van Ruud kon ik kranten in elkaar zetten die met lood totaal onmogelijk waren. Dat baarde opzien. Dagbladen imiteerden onze vondsten op hun tienerpagina’s in Hitweek-stijl. Het was aandoenlijk om te zien hoe ze met lood onze vrije fotografische knip-en-plak-lay-out probeerden te evenaren.

De ‘Ruud-factor’

Ruud en ik hadden veel gemeen; beiden waren we echte verhalenvertellers. Ik zag met groeiende verbazing hoe hij naar grote bedrijven ging en ter plaatse ideeën spuide over een nieuw soort promoting. Daar kwamen dikwijls grote orders en vernieuwingen uit voort. Al zijn verhalen moesten met een korrel zout worden genomen. De ‘Ruud-factor’ heette dat in de wandelgangen. Toch werden vele van zijn vondsten gemeengoed, terwijl hij zich nooit bekommerde om copyrights of naamvermelding. Het kon hem gewoon niet schelen, hij was dan al weer druk met het volgende bezig.

Hitweek groeide zo snel, dat Peter en ik personeel moesten gaan aannemen. Ruud zou dat personeel gaan betalen. De vriendin van Wim de Bie, Marjolein Kuijsten (die in Den Haag nog met Kees en Wim een cabaretgroepje had), werd vaste medewerkster en kreeg betaald, terwijl wij geen cent hadden. Peter Muller hield dat niet lang vol en begon bij De Telegraaf een poprubriek. Later maakte hij nog verschillende bladen, zoals het ‘nationaal sex-vakblad’ Candy (dat hem miljoenen opleverde), de Story-imitatie Weekend en Aktueel (dat eerst Rits heette). En hoewel hij in 1981 zijn geld verspeelde met het Nederlandse tabloid De Dag, probeerde hij het tien jaar later nog eens met De Nieuwe, dat ook vol stond met absurd nieuws.

Na het vertrek van Peter stond ik er alleen voor. Na enige tijd vertrok de administratie van de drukkerij ook naar Zwanenburg en konden we het hele gebouw zomaar gebruiken. Over geld werd nog steeds niet gesproken. Marjolein en ik werden verliefd en gingen in het Hitweek-kantoor wonen.

Subversieve blaadjes

Alhoewel zijn bedrijf steeds commerciëler werd, kwam hij toch nog steeds aanzetten met subversieve blaadjes als Gandalf en drukte hij Braak van Lucebert. Met zijn oude studievriend Wim Klinkenberg begon hij in onze Hitweek-burelen een nieuwe culturele krant: 8 vanavond, nota bene in elkaar gezet door míjn oude studievriend Martin van Duynhoven. Die krant heet nu de Uitkrant (en wordt nog steeds door Martin vormgegeven). Ik begon ondertussen met Fantasio, Paradiso en andere projecten en we zagen elkaar steeds minder. Ik merkte wel dat hij door de fusie met drukkerij Faddegon steeds meer verpakkingen, speelkaarten, etiketten en kinderboeken drukten. Er kwam personeel dat hem met ‘U’ en ‘Meneer’ aansprak. Leuk vond hij dat niet. Het begon te veel in ‘werk’ te ontaarden. Hij kende alle 150 werknemers niet meer persoonlijk en dat irriteerde hem. Toen
het bedrijf moest verhuizen naar een grotere lokatie in Lelystad besloot Ruud niet mee te gaan.

Maar een tijd later vertelde hij me dat hij weer deed wat hij echt leuk vond. Voor grote bedrijven promotiecampagnes verzinnen en het drukwerk uitbesteden. Hij reisde de hele wereld over, leerde zelfs vliegen in een Chessna, omdat dat makkelijker was dan al die lijnvluchten en zette zusterbedrijven op in Brussel, Toronto, Parijs, Londen, Stockholm en Houston. Hij keek me weer glimmend aan en zei dat hij de kleinste multinational ter wereld was.

Astma

Er was nog iets wat we gemeen hadden, onze longen waren niet zo best. Maar terwijl ik vrijwel van mijn astma af ben, werd de zijne steeds intenser. Later werd het longemfyseem en ging hij speciaal voor zijn longen in Zuid-Frankrijk wonen. Daar belandde hij echter in de huisjeshandel, waardoor het geld weer binnenstroomde, maar zijn gezondheid zienderogen achteruit ging. Toen is hij in het bos bij Putten gaan wonen, waar hij zich uitleefde in tuinieren en het bouwen van een reusachtige camper. Ik heb die camper ter grootte van een touringcar bekeken. Alleen zijn slaapkamer was al een zaal. Hij vertelde dat hij naar Tsjecho-Slowakije, Hongarije, Duitsland, Zwitserland, Italië, Sicilië, Tunesië, Algerije, Marokko, Spanje, Frankrijk en België was geweest. Even een rondje gemaakt. Ik was diep onder de indruk, maar vond hem er slecht uitzien. Later hoorde ik dat hij behalve longemfyseem ook een nog totaal onbekende ingewandenziekte had. Internisten van het amc hebben zijn geval zelfs voorgelegd op een wereldconferentie van vakgenoten in Boston, maar niemand had ook maar enig idee. Ruud bleef ook daarin uniek. Inmiddels is hij van deze aarde vertrokken en inspireert ook in het hiernamaals waarschijnlijk velen met die onnavolgbare Ruud-factor.

W. de Ridder is verhalenverteller en spiegeloog.