Nummer 4: April 2015

                                                                         04-2015 Fien-de-la-Mar-Bleeke-Bet

 

Fien de la Mar kon alles, wilde alles. Speelde iedereen van het toneel, zelfs als ze amper had gerepeteerd. Een verleidelijke diva, dé ster van het Nederlandse toneel. Tot er in de jaren zestig geen plaats meer was voor nukkige vedettes en zij ten onder ging.

‘Troetelpopje’ Fien ging naar het toneel, dat sprak vanzelf. Met haar eerste rolletje veroverde ze meteen alle harten. Zeker die van de mannen. Fien de la Mar kon alles, wilde alles. Speelde iedereen weg, ook al deed ze soms maar wat. Maar na de mooie, glorieuze jaren, kwamen de ouderdom en het verval. Ze kon het niet aan.


Fien de la Mar stapte op 18 april 1965 uit het raam van haar flat, op de avond van Eerste Paasdag. Ze woonde tweehoog op Beethovenstraat 82, het huis was verder leeg. Het jonge echtpaar dat sinds enkele jaren bij haar inwoonde, bracht de Paasdagen elders door. Op straat was haast geen mens te zien. De kruidenierswinkel Vana aan de overkant was op zondag dicht. De eens zo legendarische actrice, die in haar gloriedagen de grootste diva van het land was geweest, voelde zich eenzaam en wanhopig – alsof de hele wereld zich van haar had afgewend. “Vergane glorie ben ik”, had ze de laatste tijd menigmaal gezegd tegen de enkelen die nog contact met haar bleven onderhouden.
Toen ze op het trottoir neerviel, was ze niet meteen dood. Zwaargewond werd ze overgebracht naar het Wilhelmina Gasthuis. Op de vraag waarom ze een eind aan haar leven had willen maken, antwoordde ze: “Om alles.” Nog een dag of vijf bleef ze in leven. Op 23 april – deze maand 50 jaar geleden – stierf ze, 67 jaar oud. “Ze was onberekenbaar, onbeheerst en onredelijk”, schreef cabarethistoricus Wim Ibo later uit eigen ervaring, “waardoor ze ieder die met haar in aanraking kwam, steeds weer heeft verward, verbaasd en verbijsterd. Maar tegelijkertijd bepaalden al die factoren die ongewone, fascinerende persoonlijkheid waar niemand ongevoelig voor is gebleven.”

Troetelpopje
Dat Fien toneel zou gaan spelen, stond altijd al vast. Haar vader was de populaire acteur Nap de la Mar, voluit Napoleon, die zijn dochter de bijpassende naam Josephine gaf. Haar moeder Sientje Klopper was minder bekend, maar werkte ook aan het toneel. De kleine Fien groeide op bij haar grootouders van moederskant – een braaf boerengezin in het nabijgelegen dorpje Sloten, met kippen in de tuin en weilanden zo ver het oog reikte. Af en toe kwamen haar ouders op visite of stuurden prentbriefkaarten uit exotische oorden. Ze zorgden ervoor dat er altijd geld was: voor kleren, een fiets, zang- en pianolessen en de meisjes-hbs, waar ze zich drie maanden vóór het eindexamen niet meer vertoonde. Een diploma vond ze niet nodig: “Ik wist immers ook wel dat ik later op de een of andere manier aan het toneel zou worden verbonden. Dat sprak vanzelf! Wat moest ik anders beginnen?”
Op haar achttiende kreeg ze op voorspraak van haar vader een rolletje in een revue van volkstoneelleider Marius Spree, vooral bekend als auteur van het kassucces Rooie Sien. “Achttien jaar en nog nooit heeft iemand haar boos of bestraffend toegesproken”, schreef Jenny Pisuisse in haar biografie Portret van een kunstenaar: Fien de la Mar. “Aanbeden en verwend door de opa’s, de oma’s, ooms en tantes, het troetelpopje van vader en moeder.” Haar debuut was een onmiddellijk succes. De recensent van het Algemeen Handelsblad noemde haar “de meest jeugdige, ranke operetteheldin die ik ooit op een Hollands toneel zag”. Waarna hij zijn relaas bijna zwijmelend voortzette: “De amoureusheid kan dit kind al verbeelden met een bevallig gebaar of een lachend wenken van haar ogen, en haar vrolijkheid had momenten van heerlijke spontaniteit.” Veel van die typeringen zouden in de loop van haar carrière nog vaak terugkomen. Ook toen ze, al heel snel, geen kind meer was.

Alleskunner
Fien de la Mar bleek alles te kunnen. Ze speelde met even veel gemak een kittige rol in een operette of een revue, als de tragische hoofdpersoon in een gewichtig drama. In al die gedaanten viel ze op door haar kloeke voordracht, de allure van haar gebaren, de buigzaamheid van haar stem en haar in het oog lopende gestalte naar het mollige modebeeld dat in de jaren twintig het vrouwelijk ideaal vormde – en heel wat mannelijke hoofden op hol bracht. Haar eigen liefdesleven was tweevoudig. Er was de architect Piet Grossouw, de man die haar aan kon en lijn in haar leven bracht. Ze had hem ontmoet aan de stamtafel van café Schiller op het Rembrandtplein. Met hem woonde ze sinds 1931 in de flat in de Beethovenstraat – door Grossouw zelf gebouwd – en trouwde ze tenslotte ook. En er was de acteur Jan van Ees, haar jarenlange minnaar, die ze kon commanderen en door wie ze zich als een ster kon laten bewonderen en verwennen.
Een analytische actrice was Fien de la Mar allerminst. Ze werkte intuïtief. Minder chic uitgedrukt: ze deed soms maar wat. Tijdens repetities gooide ze er geregeld met de pet naar, tot ze het op haar heupen kreeg en opeens de sterren van de hemel stond te spelen. Over een jubelende recensent zei ze eens op haar spottende, licht lijzige toon: “Wat een malle vent, ik heb maar zo’n beetje gek gedaan.” En iemand die haar complimenteerde met een rol in Bredero’s klassieker Moortje kreeg als antwoord: “Ik mag een kind krijgen als ik weet wat ik de hele avond sta te smoezen. Ik zet het orgel maar open.”

Dubbelzinnig
Zo speelde ze de ene rol na de andere. En daar kwam vanaf 1933 bovendien het nieuwe medium film bij. Hoe glanzend haar sterrenstatus was, blijkt alleen al uit het feit dat Fien de la Mar een belangrijke rol speelde in acht van de 37 vooroorlogse speelfilms die in Nederland werden gemaakt. Ook over het maken van filmopnamen nam ze trouwens geen blad voor de mond. Ze leek het maar een armetierig gedoe te vinden, vaak onder leiding van Duitse regisseurs die niet eens goed konden verstaan wat de acteurs moesten zeggen. Wie er nu naar kijkt (alle acht zijn bewaard gebleven) ziet een struise Fien die bijna alle aandacht naar zich toe trekt, ten koste van haar collega’s wier spel veelal aan de houterige kant blijft.
Wat bovendien opvalt is de dubbelzinnigheid die ze in haar teksten weet te leggen, ook als daarvoor geen enkele aanleiding lijkt. Zoals in De Jantjes (1934), als ze haar uit de Oost teruggekeerde verloofde laat zien hoe goed ze intussen heeft geboerd met haar eigen wasserij: “Ja hè? Met m’n eigen handen verdiend.” Het klinkt alsof ze het over een heel ander soort branche heeft. In hetzelfde jaar zong ze in de film Bleeke Bet het hunkerlied dat Jacques van Tol op haar lijf had geschreven: Ik wil gelukkig zijn / ik weet van malligheid niet wat ik doe / waar zwaait m’n weg naar toe? / het hindert niet, het hindert niet...

Eigen theater
De oorlog leek aanvankelijk niets te veranderen. Fien de la Mar speelde door, net als bijna alle anderen. In september 1941 stond zij naast de grote Albert van Dalsum in De getemde feeks. Haar eerste Shakespeare. Beiden werden door de criticus van De Telegraaf geprezen om hun “overweldigende levenskracht”. Toen alle acteurs zich later moesten aanmelden bij de nazistische Kultuurkamer besloot Van Dalsum, die een man van principes was, zich uit de toneelwereld terug te trekken. Fien volgde zijn voorbeeld.
Ze zag zichzelf echter niet als een heldin, zei ze later tegen Wim Ibo: “Want wat deed ik ’s avonds als ik me thuis rot zat te vervelen? Ik ging lekker zitten zuipen bij Schiller. Maar daar hing wel een bordje buiten: ‘Voor Joden verboden’. Flink van me, hè?” Door haar werkweigering behoorde ze in elk geval wel tot het kleine groepje toneelspelers dat zich tegen de Kultuurkamer had gekeerd en in juni 1945 triomfantelijk in de Stadsschouwburg terugkeerde om het anti-oorlogsstuk Vrij Volk te spelen.
Wat daarna volgde leek haar grote reputatie eens te meer te bevestigen: de opening van een eigen theater aan de Marnixstraat, schuin tegenover de artiesteningang van de Stadsschouwburg en genoemd naar haar vader: De la Mar Theater. Het leek het hoogste dat een acteur kan bereiken. Misschien had Grossouw, die het uitgebrande schoolgebouw op eigen kosten tot theater verbouwde, beter moeten weten. Hij had geen verstand van theater en zijn vrouw geen zakelijk inzicht. In elk stuk wenste ze zelf de hoofdrol te spelen. Het publiek kocht aanvankelijk nog graag kaartjes, maar raakte er al snel op uitgekeken. Na drie jaar zag het echtpaar zich gedwongen het theater te verkopen.

Urenlange telefonades
Daarna ging het bergafwaarts met de carrière van Fien. Vooral na de dood van haar man in 1957. Ze speelde hier en daar nog een gastrol, maar kon zich niet schikken in het moderne toneel, waar geen ruimte meer was voor de nukken van een vedette. Eind jaren vijftig deed ze een eerste zelfmoordpoging, met een verlamde linkerarm tot gevolg.
Zelfs voor bewonderaars als Wim Ibo en Albert Mol, die hun best deden haar af en toe enig tv-werk te bezorgen, was ze bij tijd en wijle onhandelbaar. Zeker als haar erotische toenadering afstuitte op de homoseksuele geaardheid van beiden. Ibo herinnerde zich nadien dat hij adorerend toekeek terwijl Fien op zijn bank een monoloog repeteerde en dat zij toen zei: “Als je me zo blijft aankijken, moet je me wél even nemen op de bank.” En toen hij haar eens complimenteerde met haar vakmanschap, bevestigde ze haar zinnelijke natuur door met een hand tussen haar benen te strijken en te zeggen: “Vakmanschap? Het komt allemaal híer vandaan.”
De grote diva van weleer maakte het zichzelf onmogelijk. Ze werd steeds achterdochtiger. “Iedereen spant tegen mij samen”, beweerde ze in 1964 in Het Vrije Volk. “Ik ben niet speelziek, maar ik heb nu weer lang genoeg uit mijn raam naar de winkel van de Vana gekeken. En het huishouden gedaan; kopje-vuil, kopje-schoon. (…) Het is een ellende als je vroeger jong en mooi bent geweest, als je succes hebt gehad en de wereld aan je voeten heeft gelegen.” Ze wilde nog graag blijven werken, zei ze. De werkelijkheid was dat ze iedereen van zich vervreemdde, ook degenen die haar nog graag aan het werk wilden zien. Haar telefonades, vaak urenlang en tot ver voorbij middernacht, werden berucht. Op den duur lieten zelfs de trouwste fans liever de telefoon vergeefs rinkelen dan het risico te lopen Fien aan de andere kant van de lijn te horen.
Fien de la Mar werd na haar zelfmoord opgebaard in het Nieuwe de la Mar Theater – dat ooit het hare was – en begraven op Zorgvlied, ten overstaan van honderden belangstellenden. Zoveel publiek had ze in geen jaren meer gehad.
HENK VAN GELDER IS JOURNALIST.