De vaste route van Rob van Reijn Opmerkelijk

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     Mei 17, 2013    
2668   0   0   0   0   0

Schoolgenootjes als de Brenninckmeijertjes (van C&A) moesten elke dag, maar de ouders van pantomimespeler Rob van Reijn (1929) waren “echte zondagsgelovigen”. Ze praktiseerden in de Krijtberg op het Singel. Behalve als in de Sint Nicolaaskerk de “witte pater” preekte – dan wandelde het gezin Van Reijn vanaf hun “domineeshuis” in de Kerkstraat 57 naar de Prins Hendrikkade.

Van Reijns geboortehuis staat aan de ‘goede’ kant. Want het luisterde nauw in die dagen: het stukje Kerkstraat nét aan de overkant van de Leidsestraat – grenzend aan de Leidsegracht – was wat armoedig. “Dus daar hadden wij niéts mee te maken,” grinnikt Van Reijn. “Wij waren in goeden doen.” Op de eerste etage van het woonhuis dreven zijn ouders een bontatelier met behoorlijk wat personeel. “’s Ochtends tegen achten stonden bij ons voor de deur en aan de overkant bij drukkerij Van Bommel op nummer 58 de mensen te wachten tot ze naar binnen mochten. Klokslag acht opende mijn vader de deur.” De zaak in de Kerkstraat genoot een zeer deftige clientèle, zoals de dirigent van het Concertgebouworkest Willem Mengelberg. “Als hij binnenkwam, liet hij altijd achteloos zijn pelsmantel achter zich op de grond vallen. De meisjes van het atelier moesten die dan oprapen.” Ook hofdames frequenteerden het bontatelier en vlak na de oorlog stonden de nog jeugdige Beatrix en Irene op de stoep voor een bontmanteltje op maat. Het gezin at er goed van; er kon zelfs een zomerhuis in Putten vanaf.

De goede reputatie van het atelier was tijdens de oorlog overigens ook de Duitsers ter ore gekomen. “Op een dag werd de hele straat afgezet door groenhemden: rijkscommissaris Seyss-Inquart kwam langs met zijn vrouw. Stonden ze allemaal voor ons huis met die rechterarm omhoog. Mijn vader is na de bevrijding nog opgepakt wegens collaboratie, maar ze hebben hem meteen weer vrijgelaten. Want hij had ondertussen wél Joodse mensen in huis gehad.”

 

“Gewoon je mond houden”

We slaan rechtsaf de Leidsestraat in, toen een “zeer deftige en op de dag des heren doostille straat”. De kleine Rob liep er op zondag met zijn zusje, broer en ouders. Hij was, zo kreeg hij vaak te horen, een grappig, zonnig jongetje – op de kleuterschool noemde zuster Louisa hem haar clowntje. Maar er was ook veel verdriet vanwege zijn hazenlip. “Mijn moeder gilde toen ze me voor het eerst zag en de artsen zeiden: ‘Die gaat toch dood’. Maar zie!”

Op de hoek met de Keizersgracht passeren we schoenenwinkel Sacha, voorheen bontzaak Bertram. Van Reijns moeder was er cheffin en leerde in die betrekking van Reijn senior kennen. Het was geen gelukkige verbintenis. Het huwelijk kreeg de genadeklap toen Robs broertje overleed. “Hij was een jaar of dertien. Mijn moeders oogappel. Tegen mij zei ze: ‘Waarom jij niet?!’”

Bij nummer 15 staan we even stil bij Jan van Well die hier rond 1800 woonde – Van Reijn wijdde een historische roman aan deze destijds populaire pantomimespeler. Zelf had hij al van jongsaf “een grote behoefte” aan optreden; op zijn vierde begon hij met poppenkastvoorstellingen voor de familie. Een optreden van de grote clown Johan Buziau in Carré maakte diepe indruk. Later op de Kunstnijverheidschool, waar hij beeldhouwde, vroegen ze hem waarom hij niet aan het toneel ging.

“Maar ja, die lip. En ik was onverstaanbaar.” Zeven operaties hadden niets uitgehaald. De laatste in 1948 wel: hij kwam thuis en zag er prachtig uit. “Een klasgenoot zei toen: ‘Jij moet het toneel opgaan en gewoon je mond houden.” Van Reijn nam bewegingslessen en richtte een paar jaar later samen met Jan Bronk een pantomimegroep op.


De witte pater

De kostbare gaper van drogisterij Cleban op de Heiligeweg is wegens op loer liggend vandalisme naar binnen verhuisd – de kinderen Van Reijn zeiden de kop altijd gedag. Even verderop doemt Maison de Bonneterie op. Van Reijns moeder mocht graag winkelen in het chique warenhuist. “Zo was ze. Een beetje als Hare majesteit. In Putten maakten we altijd een rijtoer en dan kocht ze van tevoren een grote zak met snoep. Dat strooide ze vanaf het rijtuig naar de kinderen van het dorp.”

“Mijn moeder en ik hebben lang een heel moeizame relatie gehad. Dat pantomimespelen vond ze eerst ook helemaal niks. Maar uiteindelijk is ze heel trots op me geworden. Ik speelde eens in een ‘schuifdeurenzaaltje’ en opeens zag ik haar stiekem binnen komen schuifelen, samen met mijn zusje. De door mijn moeder zeer bewonderende actrice Hetty Beck zat in de zaal en die zei tegen haar: ‘Dat is een gróót talent, mevrouw.’ Toen was het goed.”

Via de “gajestroep” (de Kalverstraat) en het Damrak naderen we de Sint Nicolaaskerk. De familie Van Reijn had een zwak voor de directe, speelse preken van de immer in wit tenue gestoken hulppastoor van de Sint Nicolaaskerk, Suasso de Lima de Prado, kortweg Piet. Een kritische geest – “in Maria als de heilige maagd geloofde hij niet” – die later door de kerk werd ‘weggezet’ in een klein dorpje in Noord-Frankrijk. Waar hij overigens in goed gezelschap verkeerde: niet alleen Bert Schierbeek en Remco Campert, maar ook Rob van Reijn en zijn vrouw kochten er een huisje.

 

In 1949 debuteerde Rob van Reijn als pantomimespeler. Zijn eerste bekende creatie was ‘het mannetje Maccus’. In 1974 brak hij ‘verpletterend’ door met zijn programma Exegese, een speelse bewerking van het scheppingsverhaal. Niet veel later opende hij het Rob van Reijntheater op de Haarlemmerdijk. 37, dat in 1992 zijn deuren sloot. Van Reijn treedt nog steeds op en debuteerde in 2000 met Voetlicht & vetpotten, een historische roman over de Amsterdamse pantomimespeler Jan van Well. Een tweede historische roman is in de maak.

 

Powered by JReviews